Video Determinatie

Eiken-Haagbeukenbos - Stellario-Carpinetum

Het Eiken-Haagbeukenbos is een hoog opgaand bos, met een goed ontwikkelde struiklaag, waarin Hazelaar meestal een groot aandeel heeft. Dit geldt zeker voor de bossen met een hakhoutverleden. Evenals diverse andere rijke bossen wordt het Eiken-Haagbeukenbos gekenmerkt door een uitgesproken voorjaarsaspect. De Zuid-Limburgse hellingbossen beslaan grote oppervlakten en er groeien veel soorten die op andere plaatsen in Nederland niet of weinig voorkomen. In de rest van haar Nederlandse areaal is de associatie veel soortenarmer en beslaat zij slechts kleine oppervlakten.
Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters
Het Eiken-Haagbeukenbos groeit steeds op een zware, slecht doorlatende ondergrond van leem, kleefaarde of klei, die al dan niet is afgedekt door een laag leemhoudend zand. Bodem en waterhuishouding verschillen en komen tot uiting in de indeling in subassociaties. De vochttoestand schommelt sterk, waarbij de gronden 's winters nat en 's zomers droog zijn. In Zuid-Limburg komt de associatie ook op drogere standplaatsen voor, zoals op mergel.
De associatie is een voorbeeld van een climaxgemeenschap, die in de successie door struweelgemeenschappen en andere bosgemeenschappen wordt voorafgegaan. In Zuid-Limburg volgt zij op de Associatie van Hazelaar en Purperorchis, die door hakhout- of middenbosbeheer uit de bosgemeenschap ontstaat en daar via natuurlijke successie als vanzelf weer in overgaat.
Het Eiken-Haagbeukenbos heeft een betrekkelijk klein, subatlantisch areaal, dat zich uitstrekt van Noord-Frankrijk tot Noordwest-Duitsland. In Nederland heeft de associatie onmiskenbaar haar zwaartepunt in Zuid-Limburg. Daarbuiten komt zij onder andere voor op het Drents Plateau, in Twente, in het Rijk van Nijmegen en de Achterhoek. In het westen van Nederland komt de associatie slechts op een enkele plaats voor, zoals aan de binnenduinrand in Den Haag.
Haagbeuk, Winterlinde, Zoete kers (ook klasse), het zeldzame Rood peperboompje, en de kruidachtige planten Mannetjesvaren, Boszegge, Donkersporig bosviooltje, Heelkruid, Bosbingelkruid, Lievevrouwebedstro, Ruig klokje, Christoffelkruid, Eenbloemig parelgras, Aardbeiganzerik, Mannetjesorchis, Kleine maagdenpalm, Vingerzegge en Amandelwolfsmelk zijn kensoorten van deze soortenrijke associatie. Binnen Zuid-Limburg geldt dit ook voor Zwartblauwe rapunzel. Verder komt een groot aantal kensoorten van de klasse met hoge of betrekkelijk hoge presentie voor, waaronder Klimop, Gewone salomonszegel, Bosanemoon, Gevlekte aronskelk, Schaduwgras, Speenkruid, Bosandoorn, Groot heksenkruid en Boskortsteel.
In de plantenassociatie 'Eiken-Haagbeukenbos' komen de volgende plantensoorten voor:
Binnen het Eiken-Haagbeukenbos worden zes subassociaties onderscheiden, die alle goed zijn gekenmerkt en in sommige overzichten als zelfstandige associaties zijn beschreven. In grubben komt een subassociatie met Naaldvaren voor, waarin verder stikstofminnende soorten als Hondsdraf, Grote brandnetel en Gewone vlier een groot aandeel hebben. De soortenrijkste subassociatie van het Eiken-Haagbeukenbos, genoemd naar de orchideeën Mannetjesorchis en Purperorchis, is gebonden aan steile hellingen met het kalkgesteente ondiep in de ondergrond. Naast de genoemde orchideeën vallen onder andere Ruig viooltje, Christoffelkruid, Heelkruid, Ruig klokje, Bergnachtorchis en Vingerzegge op. De typische subassociatie wordt aangetroffen op zware gronden, zoals keileem en kleefaarde, die in het voorjaar zeer nat zijn. Deze vorm van het Eiken-Haagbeukenbos heeft geen differentiërende soorten, al valt wel op dat veel kensoorten een hoge presentie hebben. Op bodems met kalk in de ondergrond en een bovengrond van klei of leem komt een subassociatie voor met Daslook, waarin verder ook Bosbingelkruid zijn grootste presentie bereikt. In de boomlaag is Winterlinde opmerkelijk veel aanwezig. Op steile noordhellingen met een vochtig, koel microklimaat komt een varenrijke subassociatie voor, vernoemd naar Mannetjesvaren en Brede en Smalle stekelvaren. Ten slotte komt op löss en andere vochthoudende, matig voedselrijke leemgronden een naar Witte klaverzuring vernoemde subassociatie voor, waarin verder een soort als Dalkruid een groot aandeel heeft. In de struiklaag zijn Wilde lijsterbes, Hulst en Sporkehout opvallend.
Het Eiken-Haagbeukenbos heeft zijn grote soortenrijkdom voor een groot deel te danken aan een eeuwenlang uitgevoerd middenbosbeheer, waarbij bovenstaanders tijdens de kapcyclus worden gespaard. Vooral op kalkrijke standplaatsen wordt de laatste jaren (met succes) geprobeerd dit vroegere beheer weer in te voeren.