Video Determinatie

Beuk - Fagus sylvatica

In veel van onze bossen, lanen en grote tuinen tref je de Beuk, Fagus sylvatica, aan. Alleenstaand hebben Beuken vaak een mooie bolvormige kroon. In bossen op armere bodems geven ze het effect van een kathedraal: kronen en stammen vormen als het ware de pilaren en gewelven van de kathedraal. Je herkent Beuken aan hun bijna altijd gladde stammen met een bast die grijs tot grijsgroen van kleur is.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

De Beuk, Fagus sylvatica L., hoort tot de Napjesdragersfamilie. Tot deze familie behoren verder de Eik en de Tamme kastanje. Alle bomen uit deze familie zijn eenhuizige soorten, maar met aparte bloeiwijzen met mannelijke of vrouwelijke bloemen, die je wel aan dezelfde boom vindt.

De mannelijke bloemetjes van de Beuk zijn katachtig en hangen naar beneden. Elk bloemetje in de katjes heeft een roodbruin klokvormig bloemdek met 4 of meer meeldraden. De vrouwelijke bloemen zitten bijeen in een bekervormig, later tijdens het rijpen van de vrucht, leerachtig of houtig wordend omhulsel, het zogenaamde napje. De bestuiving vindt plaats door de wind. Na bevruchting ontwikkelen zich binnen het napje de beukennootjes. Als deze rijp zijn opent het napje in vier delen en vallen de scherp driehoekige beukennootjes op de grond. De beukennootjes worden onder andere verspreid door eekhoorns, die ze als wintervoorraad gebruiken.

Het jonge blad van de Beuk is zacht behaard; naarmate het blad ouder wordt verdwijnt deze fijne beharing. De bladeren zijn elliptisch tot eirond en de bladrand is ondiep gegolfd. De knoppen waaruit de bladeren en de bloeiwijzen te voorschijn komen zijn bruin van kleur en geschubd. De stam van de beuk is grauw en kan aan de regenzijde groen kleuren door de algen die erop groeien. Meestal is de schors glad, maar soms zie je ook beuken met wat meer groeven in de schors.

De Beuk gedijt goed op vochthoudende, goed doorlatende, kalkrijke, leemhoudende bodem. Hij verdraagt hoge waterstanden of droge zandgronden niet. De boom leeft in symbiose met een schimmel (mycorrhiza). De boom kan goed tegen schaduw, maar niet tegen direct zonlicht als om de boom andere planten worden verwijderd. De Beuk is een zogenaamde climaxsoort, dat wil zeggen dat in de natuur de Beuk in het eindstadium van een loofbos-ontwikkeling in de gematigde streken van nature een der dominant optredende boomsoorten is.

Beuken worden ook veel aangeplant als laanboom en kunnen op die wijze beeldbepalend zijn in het open landschap. Ze kunnen 200 tot 300 jaar oud worden. In de Middachter Allee bij Kasteel Middachten in De Steeg stonden tot voor kort enkele van de oudste beuken in Nederland. De dikste was 5 m in omvang en waren tot 45 m hoog. Ze zijn in 1776 aangeplant. In de winter van 2004/2005 vielen twee exemplaren spontaan om en meerdere bleken bij nader onderzoek hol en aangetast door de korsthoutskoolzwam. Ze moesten derhalve gekapt worden. Ook bomen hebben geen eeuwig leven.

Beuken zijn windbestuivers. De mannelijke bloemen in de naar beneden hangende katjes geven veel pollen af dat weinig allergeen is, maar er is een aantal mensen dat gevoelig is voor het pollen van de Beuk. Deze mensen kunnen tijdens de bloeitijd van Beuken in de maand mei last hebben van allergische verschijnselen in de vorm van hooikoortsachtige klachten.

MMGB_111121

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Napjesdragersfamilie - Fagaceae
Plantengeslacht:
Fagus - Fagus
Plantvorm:
boom
Plantgrootte:
1.00 - 30.00 meter
Bloeiperiode:
April - Mei
Bloemkleur:
groen
Bloeiwijze:
katje
Bloemvorm:
nvt
Bloemtype:
eenslachtig
Bloembladen:
6 schubben
Meeldraden:
4 of meer
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
4
Stempels:
4
Vrucht:
noot
Zaden:
-
Stengel:
-
Schors:
glad, grijs
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
elliptisch, enkelvoudig (gewoon blad)
Bladranden:
gaaf, gegolfd
Ondergronds delen:
hartwortelstelsel
Plantengemeenschappen:

De Beuk is een Europese boomsoort. Het areaal of verspreidingsgebied loopt van de Britse eilanden tot Rusland en van Zuid-Skandinavie tot de gebergten in Zuid Europa. Op zeer voedselarme gronden en bodems komt de Beuk niet voor, maar wel vooral op oudere gronden en bodems. Ook in de hogere rivierdalen en binnenduinen staan Beuken op natuurlijke bodem. De meeste Beuken zijn echter aangeplant. Oude namen van plaatsen herinneren ook aan de Beuk. We noemen namen als Boxtel, Boekel en Boekelo. Hieruit kun je de conclusie trekken dat de Beuk in de Middeleeuwen veelvuldig voorkwam. Als climaxsoort wordt de Beuk in Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, beschreven in twee vegetatie klassen, namelijk

42 Klasse van Eiken- en Beukenbossen op voedselarme grond

43 Klasse van Eiken- en Beukenbossen op voedselrijke grond

De plantensoort 'Beuk' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De Beuk is een schaduwsoort. Als jonge boom is hij uitstekend aangepast aan de schaduwrijke omstandigheden waarin hij opgroeit. De typische bladstand, namelijk twee rijen bladeren aan een tak die ongeveer een oppervlak vormen is daaraan een aanpassing. Bovendien vind je aanpassingen aan de aantallen pallisadenparenchym lagen in het blad in afhankelijkheid van het feit of het blad direct of indirect licht ontvangt. De Beuk is ook zeer gevoelig voor direct zonlicht als in de directe nabijheid een boom geveld wordt of spontaan omvalt. De bast moet dan beschermd worden tegen "zonnebrand". Dit kan in een laanbeplanting leiden tot een domino-effect. Het goed bewerkbare beukehout diende vroeger om materiaal voor drukletters en houtsneden te snijden. We kennen verder nog de cultuur vorm van de Bruine beuk. Geroosterde beukenootjes worden samen met suiker gebruikt om een speciaal koekje de "kletskop" te bakken.

Weeda, E.J. et al., (1985) Nederlandse oecologische Flora.Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 103.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 404.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 376.

Uitspraak wetenschappelijke naam: Fágus sylvática