Video Determinatie

Middelste teunisbloem - Oenothera biennis

In de zomermaanden zie je niet alleen op meer natuurlijke groeiplaatsen, maar ook in de bermen en taluds van autowegen de tamelijk hoge planten met forse stengels en grote opvallende goud- tot oranjegele bloemen boven in de plant. Het zijn Teunisbloemen. Middelste teunisbloem, Oenothera biennis, is een van de drie teunisbloemen die we in onze flora onderscheiden. Met een beetje geluk kun je in de middag zien hoe de bloemen zich openen. Dat doen ze namelijk nogal snel.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Teunisbloem is een merkwaardig geslacht uit de Teunisbloemfamilie. Het is van oorsprong een Amerikaans geslacht en pas vanaf de 17e eeuw zijn diverse soorten in Europa ingevoerd. Sommige van deze hebben zich goed kunnen verspreiden en hebben nu een plaats in de Europese flora veroverd. Nadere bestudering van de genetica van Teunisbloemen leert ons dat er eigenlijk steeds sprake is van bastaarden. Dat heeft er zelfs toe geleid dat de huidige soorten in Europa eigenlijk niet meer te vergelijken zijn met de soorten waarvan ze afstammen.

De plant die we hier voorstellen lijkt veel op de Middelste teunisbloem, Oenothéra biénnis L., maar heeft ook kenmerken van de bastaard van Grote en Middelste teunisbloem Oenothéra x fallax. We gaan bij de bespreking ervan uit dat we te doen hebben met de Middelste teunisbloem, maar we geven ook aan waar de kenmerken wijzen op de bestaard.

Middelste teunisbloem is een tweejarige plant uit de Teunisbloemfamilie of Onagraceae. Dat de plant tweejarig genoemd wordt is een gemiddelde: sommige exemplaren kunnen in een seizoen de cyclus van kiemen tot zaadzetting doorlopen, andere exemplaren brengen een of twee jaar door als rozet met een dikke penwortel en maken dan een bloemstengel. Na de bloei en eenmalige zaadzetting sterft de plant in zijn geheel af.

De rozetbladeren van de Middelste teunisbloem bollen op tussen de nerven en de onderste hebben een vrij lange steel die gevleugeld is. De andere bladeren hebben maar een korte steel. De rozetten staan op een dikke penwortel en ze kunnen als rozetten goed overwinteren. De voedselrijkdom van de standplaats en de eventuele vraat van dieren bepalen hoelang dat rozetstadium duurt.

In het seizoen dat de plant bloeit vormen ze een forse stengel met nogal veel verspreid staande bladeren. De stengel is behaard en de haren staan deels op groene knobbels. Het onderste deel van de stengel, de voet, kan rood getint zijn. De stengel vertoont verder geen rode strepen. Als je die rode strepen of rode vlekken op de stengels vindt, heb je te doen met een bastaard soort van de Middelste teunisbloem en de Grote teunisbloem, Oenothéra x fallax, die geen Nederlandse naam heeft. Hogerop vertakt de stengel zich.

Elke bloem staat in de oksel van een schutblad. De viertallige bloemen hebben gele, omgekeerd hartvormige vergroeide kroonbladen die 20-28 mm lang zijn. Het onderstandig vruchtbeginsel is buisvormig, vierhokkig en min of meer vierkantig. Daar bovenop staat de lange, nauwe, van binnen behaarde kelkbuis, die je gemakkelijk voor een bloemsteel aan kunt zien. De kelkslippen hebben een topspitsje en als de bloemknop rijp is zijn de kelkbladen korter dan de kelkbuis.

Opmerkelijk is dat de stijl in de bloemknop korter is dan de acht meeldraden. De bloemen openen zich 's avonds tijdens de schemering en geuren dan sterk. Gezien deze geur, de nectarproductie onder in de bloem, de nachtelijke opening en de lange kelkbuis verwacht je dat de bloemen door langtongige nachtvlinders worden bezocht en bestoven. Maar dat is dan al geschied en de zelfbestuiving en -bevruchting heeft vaak al plaatsgehad, voordat de bloem zich opent! Elke bloem bloeit maximaal 24 uur. Opmerkelijk is verder dan de stijl met zijn vier stempelstralen desondanks toch boven de bloemkroon uitsteekt.

Je vindt de Middelste teunisbloem op zonnige open, droge, vaak omgewerkte, zandige of stenige grond, zoals in de duinen en op rivierduinen, maar ook op ruderale plaatsen in de stedelijke omgeving, langs spoorwegen, terreinen van steenfabrieken en opgespoten terreinen in havengebieden. Ze houdt ook wel van wat kalk in de bodem. Ze komt heel algemeen voor in Nederland. In België vind je haar vooral in de kustgebieden.

MM_120226

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Teunisbloemfamilie - Onagraceae
Plantengeslacht:
Teunisbloem - Oenothera
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.50 - 1.50 meter
Bloeiperiode:
Juni - September
Bloemkleuren:
geel, oranje
Bloeiwijzen:
aar, tros
Bloemvormen:
viertallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
4 kelkslippen, 4 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
8 meeldraden
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
1
Stempels:
4
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
enkelvoudig (gewoon blad), langwerpig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds delen:
penwortel
Plantengemeenschappen:

Middelste teunisbloem hoort tot het geslacht Teunisbloem dat van oorsprong afkomstig is uit Amerika. Planten van verschillende Teunisbloemsoorten zijn in Europa ingevoerd. Doordat er nogal wat zelfbestuiving optreedt hebben deze zich in Europa op geheel eigen wijze kunnen ontwikkelen en sommige soorten lijken niet meer op de oudersoorten. Middelste teunisbloem komt in ons land vrij algemeen voor. In België is zij vrij algemeen in het kustgebied, elders is ze zeldzaam tot zeer zeldzaam. De soort houdt van een zonnige, stenige, kalkhoudende standplaats zoals langs spoorwegen, maar ook in bermen en tegen taluds van autowegen. Een natuurlijke groeiplaats van de Middelste teunisbloem, die te vinden is op rivierduinen in het Rivierendistrict wordt beschreven in Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, als de

31Ba1 Slangenkruid-associatie

De plantensoort 'Middelste teunisbloem' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De beroemde Nederlandse botanicus, geneticus Hugo de Vries heeft aan het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw kruisingsexperimenten uitgevoerd met Teunisbloemen. De opzet van zijn proeven bleek later veel overeenkomst te hebben met het werk dat eerder door de Monnik Gregor Mendel was gedaan met Erwten. De resultaten van Mendels' werk waren toen nog niet algemeen bekend. De Vries heeft zich daarbij niet gerealiseerd dat Teunisbloem niet het eenvoudigste organisme was om zijn kruisingsexperimenten uit te voeren.

Uitgebreide informatie over de ecologie van de Middelste teunisbloem en de relaties met andere organsimen kan gelezen worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora.Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 223.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 330.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 687, waar deze soort Gewone teunisbloem wordt genoemd.

Uitspraak wetenschappelijke naam: Oenothéra biénnis