Video Determinatie

Moerasspirea - Filipendula ulmaria

In de zomer kun je op vochtige graslanden, langs oevers en in vochtige bosranden de roomwitte sterk vertakte tuilen van de Moerasspirea vinden. Het zijn planten die tamelijk hoog kunnen worden tot rond de 1,20 m hoog. Ze hebben opvallende afgebroken geveerde bladeren. De grote deelblaadjes van deze bladeren zijn dubbel gezaagd en scheef, waardoor ze erg veel lijken op de bladeren van de Iep.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Moerasspirea, Filipendula ulmaria (L.) Maxim., is een hoge overblijvende plantensoort uit de Rozenfamilie die vaak te vinden is op natte, matig voedselrijke bodems in hoog grasland, ruigtes, struweel en in natte bossen als Elzenbroekbossen, maar ook in zeldzamer worden gemeenschappen met bronnetjes met schoon grondwater als het Goudveil-Essenbos.

De opvallende, sterk vertakte tuil met veel roomwitte bloemetjes zie je in de zomer de randen langs bossen en hogere waterkanten sieren. De regelmatige bloemen zijn vijftallig, soms zestallig. Ze hebben geen nectar, maar veel meeldraden die pollen produceren. Dit pollen wordt verzameld door diverse insecten die daarbij de bevruchting tot stand brengen. De vruchten die na rijping uit de vruchtbeginsels ontstaan zijn kaal en schroefvormig om elkaar gedraaid. Bezoekende insecten zijn vliegen, kevers en bijen.

De bladeren staan verspreid aan de rechtopstaande, forse, vaak roodbruin gekleurde en onvertakte stengels die uit de wortelstok omhoog groeien. De bladeren zijn afgebroken geveerd, dit wil zeggen dat er afwisselend grote en kleine deelblaadjes aan de bladsteel staan. Het aantal grote deelblaadjes bedraagt 2-5 paar. Er zijn twee duidelijke steunblaadjes op de plaats waar de bladsteel aan de stengel staat. Ze kunnen van onderen witviltig behaard zijn. Het topblaadje is drie- of vijfdelig. De rand van de deelblaadjes is gezaagd. De grote deelblaadjes lijken sterk op de bladeren van de Iep, vandaar de soortsnaam 'ulmaria' dat 'op de iep gelijkend' betekent.

Aan de wortelstok zitten geen eivormige verdikte knollen.

Moerasspirea is een Europese soort, met uitzondering van de delen rond de Middellandse Zee. Ze is bij ons vrij algemeen te vinden. In het Zeekleigebied en de Waddeneilanden is ze tamelijk zeldzaam en ze ontbreekt in sommige hooggelegen zandstreken, zoals in Zuidoost-Drenthe, de Hoge Veluwe en de Utrechtse heuvelrug.

MM_111127

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Rozenfamilie - Rosaceae
Plantengeslacht:
Spirea - Filipendula
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.60 - 1.20 meter
Bloeiperiodes:
Juni - Augustus, September - Oktober
Bloemkleur:
wit
Bloeiwijze:
tuil
Bloemvormen:
vijftallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelktanden, 5 kroonbladen
Meeldraden:
20 of meer
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
kokervrucht
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvorm:
afgebroken geveerd
Bladrand:
gezaagd
Ondergronds delen:
rhizoom/ wortelstok
Plantengemeenschappen:

Het areaal van Moeraspirea omvat vrijwel heel Europa, uitgezonderd delen rond de Middellandse Zee, en Noord-Azië, behalve het hoge noorden van beide werelddelen. Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland deelt Moerasspirea in bij de volgende plantengemeenschappen

16Ab5 Bosbies-associatie

16Ab6 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

32Aa1 Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

43Aa4 Goudveil-Essenbos

De plantensoort 'Moerasspirea' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Bijzonder zijn de schroefvormig gedraaide vruchten die na de bloei aan de tuilen te vinden zijn.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Moerasspirea en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 59.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 380.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 706-707.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Filipéndula ulmária