Video Determinatie

Egelantier - Rosa rubiginosa

Als je een rozenstruik vindt in de natuur en je ruikt de geur van frisse appeltjes als je de blaadjes tussen je vingers fijn wrijft, dan heb je te doen met de Egelantier, Rosa rubiginosa. De struik is verder ook te herkennen aan de sterk haakvormig gebogen stekels. De roze-rode bloemen lijken vaak erg op die van de Hondsroos, zodat de twee andere kenmerken het je toch mogelijk maken om de struiken van beide Rozensoorten uit elkaar te houden. De kelkbladen hebben fijne zijslippen die goed te zien zijn als de kroonbladen zijn afgevallen, want de kelk blijft nog lang op de rijpende bottels zitten.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

De Egelantier, Rosa rubiginosa L., uit de Rozenfamilie, is een struik die tot 2 meter hoog kan worden.

Aan de takken die uit de wortel te voorschijn komen en die niet al te zeer vertakken zitten stekels met een brede voet die sterk haakvormig zijn gekromd. De bladeren staan verspreid aan de takken en ronde twijgen. Ze zijn veerdelig en bestaan uit vijf tot zeven deelblaadjes. Aan de bladvoet zitten twee steunblaadjes. De deelblaadjes hebben een gezaagde rand, soms dubbelgezaagd. Ze zijn rond tot ovaal. Aan de onderzijde zitten op de steel en de nerven klieren. Deze bezetting met klieren is veel sterker dan bij de Hondsroos. Bij sommige exemplaren kunnen de deelblaadjes van onderen ook helemaal bezet zijn met klieren en haren. Van boven zijn ze altijd kaal.

De alleenstaande bloemen kunnen op de bloemsteel al dan niet veel gesteelde klieren hebben. De vijftallige bloemen hebben een halfonderstandig vruchtbeginsel dat in de bloembodem ligt verzonken. De kelkbladen staan op de rand van die bloembodem ingeplant en ze hebben zijslippen. De rozerode, soms naar wit neigende kroonbladen vallen na de bloei af, maar de kelk blijft lang op de uitrijpende bottel zitten. Het duurt enige tijd totdat de groene bottel naar rood gaat verkleuren.

In de bloem staan veel meeldraden op de rand van de kelkbuis ingeplant en de stijlen met stempels van de vruchtbeginsels in de verzonken bloembodem steken door een tamelijk wijde opening van het vruchtbeginsel naar buiten.

Op zonnige plekken in struwelen voelt de Egelantier zich thuis.

MM_130815

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Rozenfamilie - Rosaceae
Plantengeslacht:
Roos - Rosa
Plantvorm:
struik
Plantgrootte:
0.60 - 2.00 meter
Bloeiperiode:
Juni - Augustus
Bloemkleuren:
wit, rood, roze
Bloeiwijze:
alleenstaande bloem
Bloemvormen:
vijftallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelkbladen, 5 kroonbladen
Meeldraden:
20 of meer
Vruchtbeginsel:
halfonderstandig
Stijlen:
-
Stempels:
1
Vrucht:
steenvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, gestekeld
Schors:
glad, grijs, grijsgroen, bruin
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
ingesneden, oneven geveerd
Bladrand:
gezaagd
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

De Egelantier heeft een areaal dat in Europa reikt tot aan Zuid-Scandinavië. Ook het zuidwesten van Azië en het Atlasgebied van Noord-Afrika hoort tot het verspreidingsgebied van deze Roos. In de duinen, in Zuid-Limburg en de aangrenzende gebieden in België komt de Egelantier geregeld in de struwelen voor; elders is hij wat zeldzamer, maar kun je exemplaren vinden zoals langs de bosrand bij Station Molenhoek waar de opnamen gedeeltelijk gemaakt zijn. Door Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland wordt de Egelantier als belangrijke soort beschreven in

37 Klasse der Doornstruwelen

37 Liguster-verbond

37Ac2 Associatie van Duindoorn en Liguster

37Ac4 Associatie van Rozen en Liguster

43 Aa3 Meidoorn-Berkenbos

De plantensoort 'Egelantier' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De Egelantier als soort omvat eigenlijk een aantal zogenaamde microsoorten, die in verschillende kenmerken kunnen afwijken van elkaar. De frisse appeltjessmaak van de fijn gewreven bladeren wijst echter altijd de weg naar de Egelantier.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Egelantier en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 70-71.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 382.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 721.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Rósa rubiginósa.