Video Determinatie

Bergbasterdwederik - Epilobium montanum

In verschillende plantengemeenschappen kun je de Bergbasterdwederik, Epilobium montanum, vinden. De planten zijn minder fors dan een soort als Harig wilgenroosje, maar de bloemen zijn tamelijk groot, wat kleiner dan die van het Harig wilgenroosje. De kleur is licht roze. In de bloemen vind je ook een vierlobbig stempel dat een kruis vormt. De bladeren zijn langwerpig en aan de voet eirond met vaak een hartvormige voet. De bladrand is getand.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Uit het geslacht Basterdwederik kennen we het Harig wilgenroosje als de soort met de grootste bloemen, die meestal breder zijn dan twee cm. Uit de soorten met bloemen die minder groot zijn, is de Bergbasterdwederik, Epilobium montanum L. uit de Teunisbloemfamilie, een vrij algemeen voorkomende en meerjarige soort, die in nogal wat plantengemeenschappen is aan te treffen.

Uit de korte, ondergrondse wortelstokken ontstaan de stengels. Deze zijn rolrond en zonder de bij sommige soorten uit het geslacht Basterdwederik voorkomende stengels met scherpe kanten. De stengels zijn bezet met korte aangedrukte haren. De kleur van de stengels is lichtgroen tot zelfs rood aangelopen als de planten wat meer in de zon staan. Na de bloeiperiode ontstaan aan de wortelstok overwinteringsknoppen, die soms zelfs tot net boven het bodemoppervlak kunnen doorgroeien en dan ook groen kleuren.

Aan de stengels staan de bladeren tegenoverstaand en kruisgewijs, maar in de bloeiwijze staan de schutbladeren verspreid. Ze hebben een korte maar duidelijke steel en zijn langwerpig van vorm. De bladvoet is eirond tot licht hartvormig en de rand van de bladeren is onregelmatig getand.

Voor de bloei hangt de top van de bloeiwijze wat voorover en richt zich pas tijdens de bloei recht op. De bloemen zijn kleiner dan die van Harig wilgenroosje, maar toch redelijk groot tot zo'n 1,5 cm in doorsnee. De kleur van de uitgerande kroonbladen is roze. Soms neigen ze naar wit. De vier kelkbladen zijn smal en aan de top stomp afgerond. Ze zijn zeker niet spits zoals bij de Viltige basterdwederik. Binnen de bloemkroon staat het stempel dat de vier lobben kruisvormig naar buiten buigt.

Het lange, onderstandige vruchtbeginsel lijkt wel wat op een bloemsteel. Het groeit uit tot een doosvrucht, die na rijping met vier lijsten open splijt. De zaden met hun haarkuif komen dan vrij en kunnen door de wind worden meegevoerd. Ze maken dan deel uit van wat we zomersneeuw kunnen noemen.

MM_150804

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Teunisbloemfamilie - Onagraceae
Plantengeslacht:
Basterdwederik - Epilobium
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.15 - 0.75 meter
Bloeiperiode:
Juni - September
Bloemkleuren:
wit, roze
Bloeiwijze:
-
Bloemvormen:
viertallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
4 kelkbladen, 4 kroonbladen
Meeldraden:
8 meeldraden
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, behaard, gevuld
Schors:
-
Bladstanden:
tegenoverstaand, kruisgewijs
Bladvormen:
eirond, hartvormig, langwerpig
Bladrand:
getand
Ondergronds delen:
rhizoom/ wortelstok
Plantengemeenschappen:

Het verspreidingsgebied van de Bergbasterdwederik is Europa en het noorden en midden van Azië, tot in Japan toe. De soort houdt van een halfbeschaduwde omgeving en is dan ook te vinden op plekken in bossen waar het zonlicht enigszins kan doordringen, zoals langs paden en randen, waar de bodem vochtig en tamelijk voedselrijk kan zijn. De soort is daardoor in een flink aantal plantengemeenschappen te vinden.

De plantensoort 'Bergbasterdwederik' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De naam Basterdwederik voor het geslacht Epilobium is de moeite waard om terug te zoeken in het werk van Dodonaeus, Rembert Dodoens (geboren in Mechelen, Belgie, 29 juni 1517, overleden in Leiden, Nederland, 10 maart 1585). Deze arts en plantkundige schrijft in zijn Cruyde boeck (uitgegeven in Leyden in 1608) het volgende

'Dit cruydt houdt men oock voor een soorte van Wederick oft Lysimachium: en Fuchsius heeft dat voor onsen tijt voor Purpere Wederick oft Lysimachium Purpureum beschreven. Het en is nochtans geen oprechte Lysimachium oft Wederick / maer een Bastaert oft onrechte soorte van / oft op sijn Griex Pseudolysimachium. Ende om die oorsaecke / heeft Gesnerus liever gehadt dat selve eenige andere naemen te geven / en dat Epilobion of Chamaenerion te noemen. Epilobion, omdattet een bloeme heeft die van Leucoium oft Filetten gelijc /boven op de Haewkes voortskomende: Chamaenerion, om de gelijkenisse die het eenichsins schijnt te hebben met Oleander twelck Nerion oft Rhododendron pleegt te heeten: sonderlingen als dit gewas hooger op wast / ende als de bloeme van breeder bladeren ghemaeckt zijnde, een cleyn Raasken niet ongelijck en schijnt te wezen' (citaat uit H.Kleijn, Planten en hun naam, 1970, blz 120).

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Bergbasterdwederik en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 230

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 332.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 690.

Kleijn, H. (1970) Planten en hun naam. Botanisch lexicon voor de Lage Landen, blz 120; Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Epilóbium montánum.