Video Determinatie

Hondsroos - Rosa canina

In onze heggen hagen, bos- en struweelranden bloeit in het begin van de zomer de Hondsroos, Rosa canina, met zijn witte tot roze bloemen. De struiken hebben verspreid staande oneven veerdelige bladeren met 5 tot 7 deelblaadjes. De randen van de deelblaadjes zijn gezaagd. Steunblaadjes zijn aanwezig. Op de veelal kromme takken staan brede haakvormige stekels. De bloemen worden druk bezocht door allerlei insecten. De vruchten zijn de bekende smalle flesvormige rozenbottels. Ze zijn oranje tot rood van kleur.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

De Hondsroos, Rosa canina L., is een in Noordwest Europa van nature voorkomende soort uit de Rozenfamilie. Het totale natuurlijke areaal van deze struik is Europa, Noordwest-Afrika en West-Azië. In Noord-Amerika is de Hondsroos geïntroduceerd. Hondsroos maakt samen met soorten als Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn deel uit van onze doornstruwelen.

De struik wordt 1 tot 3 meter hoog. De enkel geveerde bladeren hebben vijf tot zeven gezaagde deelblaadjes, die bij fijnwrijven geen geur afgeven. Mochten de blaadjes dan wel geuren en met name naar frisse appeltjes ruiken dan heb je te doen met de ietwat zeldzamere Egelantier. De takken zijn groen of soms roodachtig aangelopen en hebben aan de onderzijde geen klieren. De stekels op de takken zijn grotendeels haakvormig gebogen. Deze vormen een uitstekende bescherming tegen vraat door grotere dieren. Jonge planten worden nog wel gegeten door grazende geiten en schapen, zoals te zien is op de Zuid-Limburgse kalkgrashellingen.

De Hondsroos bloeit in juni en juli met 4-6 cm grote, witte of roze bloemen. De kroonbladen zijn veel langer dan de kelkbladen en deze zijn alle net als de vele meeldraden ingeplant op de flesvormige bloembodem. De kelkbladen blijven na de bloei teruggeslagen en vallen af voor het rijpen van de vruchten. De vrucht is een ovale, rood-oranje, 1,5-2 cm grote rozenbottel, waarin de zaden te vinden zijn. Hoewel de bloemen veel bezocht worden door allerlei insecten, waaronder bijen, die voor de bestuiving zorgen, kunnen de zaden zich ook ontwikkelen zonder dat er bevruchting plaatsvindt. De bottels worden graag gegeten door allerlei vogels, zoals de koperwiek en de kramsvogel, tijdens de wintermaanden december, januari en februari. Zo dragen deze bij aan het verspreiden van de Hondsroos.

Hondsroos komt voor op voedselrijke, niet te zure, niet te donkere plaatsen, zoals in de duinen en het Maasheggengebied in Noord-Limburg en Brabant. Verder vind je Hondsroos in de rand van bossen, bijvoorbeeld in de mantels van de Eiken-Haagbeukenbossen in Zuid-Limburg, en verder in heggen en in struikgewas in het hele land.

MM_120225

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Rozenfamilie - Rosaceae
Plantengeslacht:
Roos - Rosa
Plantvorm:
struik
Plantgrootte:
1.00 - 3.00 meter
Bloeiperiode:
Juni - Juli
Bloemkleuren:
wit, roze
Bloeiwijze:
alleenstaande bloem
Bloemvorm:
regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelkbladen, 5 kroonbladen
Meeldraden:
20 of meer
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
-
Stempels:
1
Vrucht:
steenvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, gestekeld
Schors:
verticaal verlopende schorsspleten, grijsgroen, bruin
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
oneven geveerd, samengesteld
Bladrand:
gezaagd
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Het areaal van Hondsroos spreidt zich over heel Europa uit met uitzondering van het noordoosten. ook Noord-Afrika en Zuidwest-Azië hoort tot het oorspronkelijk areaal van de soort. In de bossen en vooral bosranden, hagen en heggen in de Benelux komt de soort voor. Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland deelt de soort in in de

37 Klasse van de Doornstruwelen

De plantensoort 'Hondsroos' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Rozen zijn geliefd als tuinplanten. Veel van de gebruikte rozen zijn door kwekers geënte rozen, waarbij ze gebruik maken van wortelstelsels en onderstammen van wilde soorten, waaronder de wortel en onderstam van de Hondroos. In de schors van een jonge onderstam wordt dan een oog geplaatst van de rozensoort die men wil hebben. Na een groeiseizoen, als de oog zich gehecht heeft en aangegroeid is aan de onderstam, wordt deze oorspronkelijke plant afgesnoeid. Op de wilde onderstam ontwikkelt dan de gewenste rozen"soort". Deze vorm van enten heet "oculeren". Het komt voor dat aan zo'n geoculeerde rozenstruik toch nog een scheut ontstaat uit de onderstam. Dan kun je dus twee verschillende "soorten" rozen aan een struik krijgen.

De stekels van rozen ontstaan uit de opperhuid van de takken; het zijn derhalve geen doorns. Toch is het in het spraakgebruik gewoon om de uitdrukking "Er is geen roos zonder doorns" te gebruiken. Eigenlijk is dit botanisch gezien een foutieve uitspraak. Maar mensen gebruiken de woorden doorn en stekel graag door elkaar.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Hondsroos en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 70.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 383.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 721-722.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Rósa canína