Video Determinatie

Gewone vlier - Sambucus nigra

In veel van onze struweelranden, vooral op wat voedselrijkere bodems vind je de Gewone vlier, Sambucus nigra. Het is een tot wel 7 meter hoge struik of kleine boom. Tijdens de bloei is hij goed te herkennen aan de opvallende op schermen lijkende vlakke bloeiwijzen. Ook in de vruchttijd is de struik goed te herkennen aan de donkere, bijna zwarte bessen. De geur van fijngewreven bladeren is zo typisch, dat daar ook een vlier goed aan te herkennen is. Zowel de witte schermvormige tuilen als de bessen worden gebruikt om er drankjes of jam van te maken. En de schermen worden ook wel gebruikt in pannenkoeken.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

In onze struwelen, heggen en bosranden valt de Gewone vlier, Sambucus nigra L., een plantensoort uit de Muskuskruidfamilie, niet alleen tijdens de bloei op, maar ook door zijn zwarte, glanzende vruchten in de nazomer. De bloei is in juni en juli en bestuiving vindt plaats door insecten, die al pollen verzamelend over de schermvormige bloeiwijzen scharrelen of door de wind, die de stijve meeldraden met gele helmknoppen tegen de stijl van de buurbloemen aan waait. De bloemen bestaan uit vijf vergroeide kroonbladen en de vijf meeldraden staan tussen de kroonslippen in geplant. Ze staan geplaatst in wat we deftig wel een tuil of schermvormige tros noemen.

De vruchten zijn in september en oktober rijp. De plant vermeerdert zich door zaad, dat door vogels, met name door spreeuwen, die dol op de bessen zijn, wordt verspreid. Botanisch gezien zijn de bessen steenvruchten en het gedeelte 'nigra' van de soortnaam betekent 'zwart'. Iedere bes bevat twee tot drie platte zaden.

Gewone vlier valt verder op door zijn typische niet frisse maar behoorlijk sterke geur wanneer de bladeren worden gekneusd. De twijgen bevatten van binnen een zacht merg.

Vlierstruiken kunnen enige tientallen jaren oud worden en oudere takken en stammen krijgen een doffe grijze tot lichtbruine kleur met een sterk gegroefde schors en het hout is hard en wit van kleur. De aan de takken en twijgen tegenover elkaar staande bladeren zijn oneven geveerd. Ze hebben op de plek waar ze aan de stengel staan steunbladachtige aanhangsels. De deelblaadjes zijn tweemaal zo lang als breed, aan de voet gaafrandig en hogerop sterk gezaagd, ze zijn dofgroen van kleur, en een blad bestaat uit vijf of zeven deelblaadjes.

Gewone vlier stelt geen hoge eisen aan zijn standplaats, maar houdt wel van stikstof en carbonaat. Je vindt de struiken bijvoorbeeld achter de zeereep, waar carbonaat uit de schelpen en stikstof uit de uitwerpselen van vogels te vinden zijn. Verder is de vlier te beschouwen als een stikstofindicator en wordt in knotwilgen en andere soorten knotbomen gevonden tot zelfs in dakgoten, op ruïnes en op (oude) muren.

Zowel de witte bloeiwijzen als de zwarte bessen worden gebruikt om er drankjes van te maken. De witte bloeiwijzen worden wel in pannenkoeken verwerkt en de bessen ook tot jam. Omdat de groene delen giftig zijn, er zit cyaan in, wordt het groen van de plant niet gegeten door dieren; alleen edelherten kunnen deze plantendelen wel verteren en eten dan ook aan de Gewone vlier.

MMGB_130131

Laatste wijziging 130730

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Muskuskruidfamilie - Adoxaceae
Plantengeslacht:
Vlier - Sambucus
Plantvorm:
struik
Plantgrootte:
1.00 - 7.00 meter
Bloeiperiode:
Juni - Juli
Bloemkleur:
wit
Bloeiwijze:
tuil
Bloemvormen:
vijftallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelktanden, 5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
5 meeldraden
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
2
Stempels:
2
Vrucht:
steenvrucht
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
gegroefd, dofgrijs
Bladstand:
tegenoverstaand
Bladvorm:
oneven geveerd
Bladrand:
gezaagd
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Gewone vlier is zeer algemeen in Nederland en België, verder in heel Europa zowel in het laagland, in middengebergte als in de bergen (in de Alpen tot in de montane zone) vanaf het Middellandse Zee gebied tot in Zuid Scandinavië. In het oosten komt de soort voor tot in Oekraïne verder oostwaarts in Azië tot in de Kaukasus. Door introductie ook in Noord- en Midden Amerika, Zuid Australië tot zelfs in Nieuw-Zeeland.

Bij Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, is te vinden dat de struik in een groot aantal vegetaties te vinden is, vooral in struwelen en bossen op betere bodems.

In de Klasse van de doornstruwelen [37] in de volgende associaties:

37Aa1 Associatie van Fraaie kambraam en Sleedoorn

37Aa2 Associatie van Slanke haagbraam en Sleedoorn

37Ab1 Associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn

37Ab2 Associatie van Hondsroos en Jeneverbes

37Ac1 Associatie van Duindoorn en Vlier

37Ac2 Associatie van Duindoorn en Liguster

37Ac5 Associatie van Hazelaar en Purperorchis

Verder in de Klasse van voedselrijke Eiken- en Beukenbossen [43] in de associaties:

43Aa1 Abelen-Iepenbos

43Aa2 Essen-Iepenbos

43Ab1 Eiken-Haagbeukenbos

De plantensoort 'Gewone vlier' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Heel veel onderdelen van de struik konden gebruikt worden, vlierstruiken waren dan ook populair om bij boerderijen en woningen te plaatsen. Medicinaal gebruik was bekend (zie verder). Bloesem werden gebruikt voor de bereiding van limonade en thee, bessen voor vlierbessensap, voor een heerlijke jam en bessenjenever. Van het witte hout werden kleine gebruiksvoorwerpen gemaakt.

Een aftreksel (thee) van de bloemen werkt urine en zweetafdrijvend, het heeft een kalmerende werking op het zenuwstelsel. Ook zou het helpen bij hoest en andere aandoeningen van de luchtwegen. Verse bessen zijn laxerend, maar een aftreksel van de gedroogde bessen zou juist stoppend werken,

Zoals gezegd: takken bevatten merg. Het zogenaamde vlierpit is goed te gebruiken wanneer je dunne coupes wilt maken van plantendelen om die, voor anatomisch onderzoek, onder het microscoop te bekijken. Het beste kun je daarvoor het merg van de recht omhoog staande waterloten zoeken.

Meer informatie over de ecologie van Gewone smeerwortel en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (1988) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 3: 263-268.

Determineren op wetenschappelijke basis kan worden uitgevoerd met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk, de soort wordt beschreven op p. 574.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1994) Geïllustreerde flora van Nederland, 23ste druk: p. 655.

Uitspraak wetenschappelijke naam: Sambúcus nígra