Video Determinatie

Dauwnetel - Galeopsis speciosa

De forse planten tot wel een meter en meer hoog van de Dauwnetel, Galeopsis speciosa, vallen onder de lipbloemen op door de afmetingen van hun tweezijdig symmetrische bloemen. Ze zijn meer dan 2 cm tot wel 3,5 cm groot. De kleur van de bloemen is zwavel geel en de onderlip vaak paarsblauw met een gele vlek. De kroonbuis van de bloemen is 2-3 maal zo lang als de kelk. De knopen onder de bladeren zijn verdikt en behaard met stevige, tamelijk harde haren.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

De bijna meest forse Hennepnetelsoort die tussen andere gewassen vaak hoog op schiet is de Dauwnetel, Galeopsis speciosa Mill., uit de Lipbloemenfamilie.

Net als bij de Hennepnetel vind je ook bij de Dauwnetel onder de kruisgewijs tegenover elkaar staande bladparen een verdikking van de stengel. Vooral als de plant bloeit is deze verdikking goed te vinden, maar ook voor de bloei is toch al sprake van een opzwelling van het bovenste stuk van een stengellid tussen twee knopen. Op deze verdikkingen direct onder de knoop zitten stijve haren. Met een loep kun je zien dat deze op een kussentje zijn ingeplant en prikkelig zijn, maar niet, zoals we dat kennen van de Brandnetels, een jeukende allergische reactie veroorzaken.

De tweezijdig symmetrische lipbloemen zijn meer dan twee cm groot tot wel 3,5 cm, zwavelgeel van kleur met paarse aderen en meestal een blauwpaarse onderlip, waar soms het blauw ontbreekt. De helmknoppen zijn eveneens paars tot zwart van kleur. De buis van de kroon alleen al is 2-3 maal zo lang als de vijftandige kelk. De paarse aderen op de kroonbladen zijn te beschouwen als een honingmerk en wijzen bezoekende insecten de weg naar de nectar onder in kroonbuis van de bloem. De normale bloeitijd van de Dauwnetel is van juni tot oktober, maar soms bloeit de plant ook nog later tot zelfs in december.

MM_1401001

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Lipbloemenfamilie - Lamiaceae
Plantengeslacht:
Hennepnetel - Galeopsis
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.50 - 1.50 meter
Bloeiperiode:
Juni - Oktober
Bloemkleuren:
paars, wit, geel
Bloeiwijze:
schijnkrans
Bloemvormen:
tweezijdig symmetrisch, lipbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelktanden, 5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
4 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
splitvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, vierkantig, behaard, gevuld
Schors:
-
Bladstanden:
tegenoverstaand, kruisgewijs
Bladvormen:
eirond, langwerpig
Bladranden:
gezaagd, gekarteld
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Het verspreidingsgebied van de Dauwnetel omvat Europa, met uitzondering van de meeste westelijke en zuidelijke delen van het werelddeel. Het areaal strekt zich verder uit over het westelijk deel van Siberië. In onze contreien neemt het aantal groeiplaatsen af en gaat de soort toch wel duidelijk achteruit, hoewel ze hier en daar nog algemeen voorkomt. De Dauwnetel verlangt open, vochtige en tamelijk stikstofrijke, maar kalkarme grond en vind je dan ook in bermen, langs slootkanten, aan de rand van struweel- en bosranden en in hakhout. Ook op akkers wil de soort nog wel eens voorkomen, maar daar kwam ze in vroeger tijden meer voor dan tegenwoordig.

De voorkeur van de soort gaat uit naar overgangen van zandstreken naar rivier- en beekdalen of meer venige streken.

De plantensoort 'Dauwnetel' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Kwam Dauwnetel vroeger nogal eens voor in akkers, tegenwoordig in de vele Maïsakkers heeft ze geen kans. De bodem is daar te weinig humeus. Wel kun je Dauwnetel dan vinden in de greppels langs Maïsvelden, waaruit we kunnen concluderen dat ze best tegen hoge mestgehaltes kan.

Voor meer uitgebreide informatie over de relaties met andere organismen, het milieu en de ecologie van de Dauwnetel verwijzen wij naar Weeda, E.J. et al., (1988) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 3: 158

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 502.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 922.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Galeópsis speciósa.