Video Determinatie

Zwartblauwe rapunzel - Phyteuma spicatum s. nigrum

Zwartblauwe rapunzel, Phyteuma spicatum, is in bloei goed te herkennen aan de dicht aarvormige bloeiwijze aan de top van de rechtopstaande stengel. De bloemvorm is heel speciaal. Aanvankelijk zijn de kroonbladen vergroeid als een smalle kromme buis, na enige tijd splijten de vijf kroonbladen in het onderste deel van de bloem en vormen een soort open lantaarntje. Het bovenste deel van de kroon blijft echter vergroeid en de stijl steekt met de twee stempels door de opening aan de top naar buiten. De kleur van de bloemen is zwart blauw; soms een enkele keer wit tot lichtgeel.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

De Zwartblauwe rapunzel, Phyteuma spicatum subsp. nigrum (F.W. Schmidt)Rouy, uit de Klokjesfamilie of Campanulaceae valt in bloei direct op door zijn uitzonderlijke bloeiwijze. Het is een soort die vanwege zijn zeldzaamheid op de Rode lijst staat.

De bloeiwijze doet niet direct denken aan soorten als Grasklokje of Rapunzelklokje, maar bij nadere beschouwing van de details van de plant is duidelijk dat de soort veel kenmerken gemeenschappelijk heeft met soorten uit de Klokjesfamilie.

Zo lijkt de korte wortelstok, net als die van Rapunzelklokje, een beetje op een raapje, vandaar de Nederlandse naam. Deze korte, knolvormige wortelstok, die vroeger ook wel werd gegeten, bevat in de winter de opgeslagen reserves van deze meerjarige planten. Op de wortelstok ontwikkelt zich na de winter een aantal rozetbladeren. Deze zijn lang gesteeld en hebben hartvormige voet. Ze zijn breed eirond tot langwerpig lancetvormig en hebben een gekartelde rand. Hoger aan de stengel, die voorzien is van duidelijke ribben, maar glad aanvoelt en kaal is, worden de verspreid staande bladeren steeds smaller en de steel steeds korter, zodat de bovenste bladeren smal langwerpig en zittend zijn. De rechtopstaande stengel zorgt ervoor dat de plant tot ruim 75 cm hoog kan worden tussen de rest van de meestal grazige of kruidige vegetatie.

De bloeiwijze aan de top van de stengel bestaat uit een aar met dicht op elkaar staande bloemen met een onderstandig vruchtbeginsel. Dit staat direct op de as van de bloeiwijze; een aparte bloemsteel onder dit vruchtbeginsel is niet of nauwelijks te ontdekken. Op de rand van het onderstandig vruchtbeginsel zijn vijf smalle kelkslippen ingeplant. De zwart-paarse tot zwart-blauwe kroonslippen vormen in eerste instantie een kromme gesloten buis. Na korte tijd splijten de kroonslippen in het onderste deel van de bloem uiteen, zodat een soort lantaarntje ontstaat. De helmknoppen van de vijf meeldraden rijpen het eerst en staan met hun binnenkant gericht tegen de stijl. Aan de stijl zitten haartjes waaraan het pollen blijft plakken. Daarna schuift de stijl door een opening aan de top van de kroonbuis naar buiten en neemt het pollen mee dat aan de buitenkant van de stijl plakt. Pas als de stijl buiten de kroonslippen uitsteekt vouwen de twee stempellobben zich open en worden dan ontvankelijk voor pollen. De tweeslachtige bloemen zijn dus eerst in de mannelijke en later pas in de vrouwelijke fase. We noemen dit protandrische (proto = grieks voor 'eerst'; anèr = grieks voor 'man') bloemen.

Na bestuiving en bevruchting door insecten, waaronder hommels, groeit het vruchtbeginsel uit tot een doosvrucht. In dit stadium laten ook de kroonslippen helemaal los, zodat alle bloemonderdelen vrijelijk op het vruchtbeginsel staan. De insecten worden aangetrokken door nectar die onder in de bloem wordt afgescheiden en die te bereiken is via de "lantaarnspijlen" van de bloemkroon. Als de hommel de verende bloemkroon indrukt, wrijft de top van de buis over de buitenkant van de stijl waarop pollen plakt. Dat valt dan naar beneden en komt op de rug van het insect terecht, die het meeneemt naar een bloem die in het vrouwelijk stadium verkeert.

Naast deze ondersoort 'nigrum', is er ook een tweede ondersoort 'spicatum'. Deze heeft een wit tot geelwitte bloemkleur en enigszins afwijkende kenmerken aan de rand van de wortelrozetbladeren.

MM_140508

Laatste wijziging 141206

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Klokjesfamilie - Campanulaceae
Plantengeslacht:
Rapunzel - Phyteuma
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.20 - 0.75 meter
Bloeiperiode:
Mei - Juni
Bloemkleuren:
zwart-paars, wit, blauw
Bloeiwijze:
aar
Bloemvormen:
buisvormig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelkslippen, 5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
5 meeldraden
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengels:
hol, geribd of geribbeld, rechtopstaand, kantig
Schors:
-
Bladstanden:
wortelstandig, rozet, verspreid
Bladvormen:
hartvormig, langwerpig
Bladrand:
gekarteld
Ondergrondse delen:
knol, rhizoom/ wortelstok
Plantengemeenschappen:

Het areaal van de Zwartblauwe rapunzel en de Witte rapunzel strekt zich uit over het westen en midden van Europa tot in het westen van Rusland. De Zwartblauwe rapunzel treffen we aan op vochtige, tamelijk voedselrijke grond in loofbos en beschaduwd grasland, op hellingen, in beekdalen en langs slootkanten. De soort is in Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, beschreven als kensoort van het

43Ab1 Eiken-Haagbeukenbos

De plantensoort 'Zwartblauwe rapunzel' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Als je de bloemen van de Zwartblauwe rapunzel bekijkt, met name de manier waarop de stijl tussen de helmknoppen naar boven schuift en boven de top van de kroon uitkomt en de stempels zich open vouwen, dan lijkt dit erg veel op de bloemen van de Composieten. In de praktijk blijkt dat er gemakkelijk kruisingen optreden tussen de verschillende soorten Rapunzels.

De naam Phyteuma stamt uit het Grieks en is afgeleid van het werkwoord Phuteuó hetgeen Planten, telen betekent. Zodoende is Phyteuma zoveel als de Plant . Daarbij is nigrum de soortnaam om zwart aan te geven vanwege de vaak diepblauwe bloemkleur. De toevoeging spicatum wil zeggen met een aar (met dank aan Jan van Twisk).

Duits: Rapunzel

Engels: Rampion

Frans: Raiponce

Als u geïnteresseerd bent in meer uitgebreide gegevens over de ecologie van de Zwartblauwe rapunzel, de relaties met andere organismen en het milieu, dan vindt u dat in Weeda, E.J. et al., (1991) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 4: 17-20.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 584.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 965-966.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Phytéuma spicátum subsp. nígrum.