Video Determinatie

Glanshaver-associatie - Arrhenatheretum elatioris

De Glanshaver-associatie komt vlakvormig voor in hooilanden en hooiweiden, en lintvormig in weg- en dijkbermen. De plaatselijk zeer soortenrijke gemeenschappen zijn vaak tweelagig en vertonen een duidelijke seizoensperiodiciteit. In het voorjaar domineren rozetplanten en vlinderbloemigen in de onderlaag, die later in het seizoen overwoekerd raakt door hoger opschietende kruiden, in het bijzonder schermbloemigen, en langhalmige grassen.
Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters
De gemeenschap komt voor op min of meer voedselrijke, vochtige tot matig droge, vaak kalkhoudende en basische, maar hier en daar ook zwak zure tot neutrale bodems. De grondsoort kan variƫren van kleigrond tot zavel en lemige zandgrond.
De Glanshaver-associatie is een vervangingsgemeenschap van bossen uit de Klasse van de eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond. Door verandering van gebruik en beheer kan de associatie zich in verschillende richting ontwikkelen. Bij een verdere toename van bemesting ontstaan soortenarme gemeenschappen waarin triviale grassen overheersen. Intensivering van beweiding leidt tot Kamgrasweiden, bij verwaarlozing van het beheer ontstaan ruigten van de Klasse van de ruderale gemeenschappen of zoomgemeenschappen van de Marjolein-klasse.
De Glanshaver-associatie komt wijdverbreid voor in West- en Midden-Europa, vanaf het laagland tot in de submontane gebieden, met een zwaartepunt in het stroomgebied van de grote rivieren. Ook in ons land heeft de associatie haar hoofdverspreiding in het rivierengebied, maar ook in Zuid-Limburg en in het zuidwesten van het land komt zij veel voor. Daarbuiten dringt zij steeds verder door langs wegen, kanalen en spoorwegen in de Hollandse en Utrechtse veengebieden, de noordelijke zeekleigebieden en op de Pleistocene zandgronden. In deze gebieden gaat het voornamelijk om fragmentaire vormen van de associatie, met maar weinig kensoorten.
De associatie wordt gekenmerkt door een aanzienlijk aantal kensoorten, waarvan Glad walstro, Gele morgenster, Groot streepzaad, Pastinaak en in het bijzonder de naamgevende Glanshaver het meest algemeen zijn. De laatste heeft meestal ook een hoge bedekking. Minder algemeen zijn Grote bevernel, Karwijvarkenskervel, Beemdkroon en Beemdooievaarsbek. Ook enkele andere zeldzame soorten hebben plaatselijk hun zwaartepunt in de Glanshaver-associatie, waaronder Rapunzelklokje, Bermooievaarsbek, Graslathyrus en Paarse morgenster. Van de grassen zijn naast Glanshaver onder meer Rood zwenkgras, Kropaar, Veldbeemdgras, Engels raaigras, Gestreepte witbol, Goudhaver, Kweek en Ruw beemdgras goed vertegenwoordigd. Minder vaak treden grassen als Gewoon reukgras, Zachte dravik, Beemdlangbloem, Timoteegras, Grote vossenstaart, Fioringras en Rietzwenkgras op de voorgrond. De moslaag is in deze hoog opgaande graslanden meestal slecht ontwikkeld.
In de plantenassociatie 'Glanshaver-associatie' komen de volgende plantensoorten voor:
Het brede spectrum van voorkomen van de Glanshaver-associatie op uitlopende grondsoorten en bij verschillende niveaus van bemesting wordt weerspiegeld in vier subassociaties. Naast een typische subassociatie die voorkomt op plekken die gemiddeld genomen wat vochtiger zijn, wordt een subassociatie met Rietzwenkgras onderscheiden, die vooral is aan te treffen op ruige, kleiige rivierdijken en voormalige zeedijken. Andere opvallende soorten in deze subassociatie zijn Viltig kruiskruid, Wilde marjolein en Wilde cichorei. Op relatief schrale, 's zomers uitdrogende, neutrale tot zwak zure bodems met een laag lutumgehalte komt een subassociatie met Gewone veldbies voor, waarin verder onder andere Gewoon biggenkruid en Muizenoor opvallen. Op kalkrijke gronden komt een naar Sikkelklaver genoemde subassociatie voor, die een overgang vormt naar stroomdalgrasland.
Hoewel de Glanshaver-associatie zelf en ook een aantal van de kensoorten (Glanshaver, Gele morgenster en Glad walstro) zich de laatste decennia aanzienlijk hebben uitgebreid, zoals in de noordelijke zeekleigebieden en op de hogere zandgronden, moet toch extra aandacht worden gegeven aan het behoud van deze plantengemeenschap. In sommige streken is namelijk wel degelijk sprake van achteruitgang, bijvoorbeeld op de Friese klei. In het bijzonder de soortenrijkdom van de gemeenschappen is op veel plaatsen sterk verminderd. Dit is vooral het gevolg van intensivering van het agrarisch gebruik, ontgrondingen en dijkverzwaring.