Video Determinatie

Kweek - Elytrigia repens

Grassen hebben de naam dat ze moeilijk te herkennen zijn. Dat is ook zo, maar als je je een beetje inspant om die plantensoorten wat beter te leren kennen valt dat mee. Je moet dan beginnen met de meest opvallende grassoorten te leren herkennen. Een van de gemakkelijk te herkennen grassen is Kweek, Elytrigia repens. Het is een zomerbloeier met een opvallende blauwgrijze kleur en een heel stijve aar. Als je over de aar wrijft, terwijl je hem zo houdt dat je de spil van de aar tussen de bloempakketjes goed kunt zien, dan voel je dat je vingers als het ware over de aar heen "hobbelen". Kweek vind je in het algemeen op erven van boerderijen en op ruderale terreinen en daar kan het met zijn ondergrondse uitlopers heel hardnekkig zijn.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Kweek, Elytrígia répens (L.) Nevski, is een van de grotere en grovere soorten uit de Grassenfamilie. Door de groenblauwe tot grijsblauwe kleur valt het op en ook zijn stijve voorkomen en de dichte onvertakte aar maken het gemakkelijk om de soort te herkennen. Het is een overblijvende soort met lange ondergrondse wortelstokken.

Kweek is bekend om zijn lange taaie witte wortelstokken, waardoor de plant bijna niet is weg te krijgen. Er blijft altijd wel wat van die wortelsok achter waaruit dan weer een nieuwe plant kan ontstaan. Aan die wortelstokken ontwikkelen zich ook spruiten zonder bloeiwijzen.

Op de overgang van bladschede naar bladschijf staat een vliezig tongetje van hoogstens 1 mm lang. De bladscheden hebben aan de top twee spitse oortjes die elkaar kruisen. De ribben aan de bovenkant van de bladschijf zijn op doorsnede afgerond of weinig uitspringend. De bladscheden zijn kaal of dicht behaard. Maar zeker niet met wimperharen bezet. Dat is een onderscheid met de Strandkweek. De bladschijf is gaaf of weinig ruw. Ze zijn donkergroen van kleur tegen het grijsachtige aan.

De bloeiwijze is een rechtopstaande stijve en onvertakte aar. De aartjes, de pakketjes met een aantal bloemetjes hebben twee kelkkafjes en staan op allemaal apart direct op een knoop van spil (of as) van de bloeiwijze. Er is geen aartjessteel. Ze staan om de beurt links en rechts van de spil met de platte kant van het aartje tegen de spil aan, zodat je de twee kelkkafjes beide ziet als de aar wordt rondgedraaid. De kelkkafjes hebben drie nerven, zijn smal en lopen uit in een spits of korte naald. Het onderste kroonkafje (ook wel lemma genaamd) is langer dan 6 mm eindigt spits of in een stekelpunt of is versmald in een korte naald. De andere lemma's kunnen tot 10 mm lange kafnaalden hebben. De helmknoppen zijn opvallend groot tot wel 3,5 mm. Als je het bloemetje opent of een openstaand bloemetje bekijkt kun je zien dat er 3 meeldraden aanwezig zijn en dat het bovenstandig vruchtbeginsel aan de top behaard is. De vruchtzetting is vaak slecht. Dat komt doordat vrijwel alle planten die dicht bij elkaar in de buurt staan eigenlijk een plant vormen. Ze zijn immers afkomstig van een en dezelfde wortelstok. Ze vormen dus een echte kloon.

Er leven veel insecten op Kweek.

Pollen van Kweek is sterk allergeen, dus in de zomer als de plant bloeit draagt ze bij aan de totale graspollendruk.

MM_120119

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Grassenfamilie - Poaceae
Plantengeslacht:
Kweekgras - Elytrigia
Plantvorm:
gras
Plantgrootte:
0.30 - 1.20 meter
Bloeiperiode:
Juni - Augustus
Bloemkleuren:
blauw, grijs, groen
Bloeiwijze:
aar
Bloemvorm:
grasbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
2 kelkkafje, 2 kroonkafje
Meeldraden:
3 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
graanvrucht of korrel
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
-
Bladstand:
in twee rijen
Bladvorm:
lijnvormig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds delen:
wortelstok
Plantengemeenschappen:

Kweek is in Nederland en België een algemeen gras. Door de boer wordt het als een van de meest gevreesde onkruiden beschouwd. Dat komt doordat de ondergrondse wortelstokken van de plant zich snel kunnen uitbreiden en hierdoor is Kweek op zowel graan- als hakvruchtakkers een hardnekkige indringer. Ze groeit op verschillende, voedselrijke bodems en je komt het gras dan ook tegen op stortterreinen, braakland, langs bosranden en op open plekken in loofbos. In de uiterwaarden blijkt Kweek een goede zandbinder en als graslandsoort dient ze in de vorm van hooi kan als voedergras. Kweek wordt in Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland beschreven als een van de een rol spelende grassoorten in een aantal plantengemeenschappen zoals in

30Bb2 Hanenpoot-associatie

31Ca Wormkruid-verbond

De plantensoort 'Kweek' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Kweek heeft zeer snel uitgroeiende uitlopers, waardoor het een hardnekkig onkruid kan zijn onder meer in akkers.

Meer over de ecologie van Kweek en de relaties met andere organismen waaronder veel insecten is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 131.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 235

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 295.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Elytrígia répens