Video Determinatie

Ridderzuring - Rumex obtusifolius

Als een van de meer forsere zuringen valt de Ridderzuring, Rúmex obtusifólius, in onze graslanden en ruigten op door zijn grote bladeren die een hartvormige voet hebben. De bloeiwijze is een pluim waarin de takken in bogen naar boven gebogen zijn. De plant is zeer algemeen en je kunt ze dan ook erg gemakkelijk op diverse meer open plaatsen vinden.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een algemeen voorkomende zuring met grote bladeren is de Ridderzuring, Rúmex obtusifólius L. uit de Duizendknoopfamilie. De planten kunnen tot anderhalve meter hoog worden en zijn in het algemeen erg fors.

De wortelstandige bladeren en stengelbladeren in het onderste deel van de plant zijn erg groot soms tot meer dan twintig cm lang en hebben een duidelijk hartvormige voet. De bladeren hoger aan de stengel en die in de pluim te vinden zijn zijn spiesvormig en missen de hartvormige voet. Op de aanhechtingsplaats van bladsteel aan de stengel vind je een duidelijk vliezig tuitje. De bladeren zijn vrij vlak hooguit een weinig gegolfd aan de randen, wat een duidelijk onderscheid is met de bladranden van de Krulzuring.

De tweeslachtige bloemen zitten in groepjes bijeen in een vertakte vrij open pluim met naar boven gebogen pluimtakken. Het groen en rood gekleurde bloemdek bestaat bij nauwkeurige beschouwing uit drie buitenste en drie binnenste bloemdekbladen die evolutionair beschouwd kunnen worden als kelk en kroon. De binnenste bloemdekbladen groeien met de vrucht uit en vormen de drie vruchtkleppen. Deze hebben tanden die meer dan tweemaal zo lang als breed zijn. Meestal is er maar een knobbeltje dat ongeveer een derde van de lengte van de vruchtklep heeft. Het zaad blijft in de bodem jarenlang kiemkrachtig.

Deze forse zuringsoort bloeit later dan de Veldzuring, maar ook in de herfst kun je gemakkelijk nog bloeiende exemplaren aantreffen. De Ridderzuring is een windbestuiver; er kan derhalve pollen van deze zuring, net als van de andere zuringen in de lucht voorkomen.

Ridderzuring staat op vochtige en voedselrijke omgewerkte grond in grasland en wegbermen, maar ook in taluds van wegen en op ruigten. Beschaduwing hoeft geen bezwaar te zijn.

MM_121212

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Duizendknoopfamilie - Polygonaceae
Plantengeslacht:
Zuring - Rumex
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.80 - 1.50 meter
Bloeiperiode:
Juni - Oktober
Bloemkleuren:
rood, groen
Bloeiwijzen:
pluim, kluwen
Bloemvormen:
meertallig (zestallig of meer), regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
3 bloemdek (kelkbladen), 3 bloemdek (kroonbladen)
Meeldraden:
6 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
3
Vrucht:
nootje
Zaden:
-
Stengels:
geribd of geribbeld, rechtopstaand, rood aangelopen
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
hartvormig, langwerpig
Bladrand:
gegolfd
Ondergronds delen:
penwortel
Plantengemeenschappen:

Het areaal van Ridderzuring strekt van Zuid-Europa over Midden-Europa uit tot in Zuid-Scandinavië. Ook Noord-Siberië hoort tot het oorspronkelijke verspreidingsgebied. De plant is inmiddels een kosmopoliet gworden van de gematigde streken van het noordelijk halfrond. Maar de verspreiding is beperkter dan die van de Krulzuring. Schaminée, J. et al. (2010) delen in de Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland de Ridderzuring als begeleidende of kensoort in bij

30Ab3 Associatie van Korrelganzenvoet en Stijve klaverzuring

31Ca3 Wormkruid-associatie

33Aa4 Associatie van Look-zonder-look en Dolle kervel

33Aa5 Zevenblad-associatie

De plantensoort 'Ridderzuring' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Meer informatie over de ecologie van de Ridderzuring en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (1985) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 152.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 278.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 404.