Video Determinatie

Glanshaver - Arrhenatherum elatius

Een van onze opvallende pluimgrassen is Glanshaver, Arrhenatherum elatius, dat bloeit vanaf mei. Dit gras is te herkennen aan de hoogte van wel ruim een meter, aan de vrij open pluim, aan de relatief grote 2-bloemige aartjes en aan de lange geknikte kafnaalden. Glanshaver dankt zijn naam aan de wat glanzende bladschede, de glanzende stengel en aartjes, waardoor het in het zonlicht, vooral wanneer de wind het beweegt, een bepaalde weerschijn geeft.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Glanshaver, Arrhenatherum elatius (L.) J.&C.Presl, is een zeer algemene soort uit de Grassenfamilie. De soort komt veel voor langs wegen en dijken en in hooiland, vooral op kleigrond. Het is een forse in losse pollen groeiende grassoort met een hoogte tot maximaal 1,5 m en wortels die tot een meter diep kunnen reiken.

De stengels zijn glad en glanzend en de onderste delen, de stengelbasis, de wortels en de voet van de onderste bladscheden, hebben een opvallende geel-oranje kleur. De soort onderscheidt zich van een soort als zachte haver (Helictotrichon pubescens) door de in de knop om de stengel gerolde, geribde bladeren. Bladschede en bladschijf van de onderste bladeren kunnen behaard zijn, maar bovenin de plant zijn ze onbehaard. Op de overgang van bladschede naar bladschijf staat een 1 tot 3 mm lang afgerond tot afgeknot tongetje.

De bloeiwijze is een open pluim met erg veel glanzende aartjes met in elk aartje minstens twee en maar zeer zelden drie of vier bloemen. Voor grasbloemen zijn de bloemen van Glanshaver erg groot en daardoor is de bouw van grasbloemen goed te bestuderen, ook zonder hulpmiddel als een loep. Een van de twee bloemen, namelijk de onderste, is alleen mannelijk en heeft dan drie helmdraden met duidelijke van geel tot roodbruin tot paars gekleurde grote helmhokken. Elke bloem heeft twee kafnaalden, een korte en een lange. Deze laatste, aan de rug van het buitenste kelkkafje van de onderste bloem, is duidelijk geknikt en steekt buiten kelk- en kroonkafjes uit. De tweede, bovenste, bloem heeft naast de meeldraden ook een bovenstandig vruchtbeginsel met een veervormig stempel, waarmee de pollen uit de lucht gezeefd kunnen worden. Aan het buitenste kroonkafje van deze tweeslachtige bloem ontspringt een heel korte kafnaald, die nauwelijks buiten de kelk en kroonkafjes uitsteekt.

De plant verdraagt 2 tot 3 maal maaien per jaar goed, maar beweiden slecht. Het is dan ook bij uitstek een hooilandsoort. Overal in Europa werden vroeger vanaf het begin van de 19e eeuw hooilanden met Glanshaverzaad afkomstig uit Frankrijk ingezaaid. Vandaar dat Glanshaver ook wel benoemd werd als Frans raaigras. Deze naam is terecht in onbruik geraakt, omdat het gras volstrekt niet lijkt op Raaigrassen met hun dicht aarvormige bloeiwijzen.

Door Glanshaver gedomineerde graslanden zijn vaak rijk aan allerlei soorten kruiden.

MMGB_130219

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Grassenfamilie - Poaceae
Plantengeslacht:
Arrhenatherum - Arrhenatherum
Plantvorm:
gras
Plantgrootte:
0.50 - 1.50 meter
Bloeiperiode:
Mei - September
Bloemkleuren:
paars, strokleurig
Bloeiwijze:
pluim
Bloemvorm:
grasbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
2 kelkkafjes, 2 kroonkafjes
Meeldraden:
3 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
graanvrucht of korrel
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
-
Bladstanden:
in pollen, in twee rijen
Bladvorm:
lijnvormig
Bladrand:
-
Ondergronds delen:
bijwortelstelsel
Plantengemeenschappen:

Glanshaver is een van de meest algemene grassoorten in de hele Benelux. Door de toenemende bemesting heeft Glanshaver zich ook weten uit te breiden naar de zandgrondgebieden. Maar in Drenthe en Zuidoost Friesland, maar ook in bepaalde delen van de Ardennen, is ze niet sterk verbreid.

Het areaal van Glanshaver omvat vrijwel geheel Europa, en het aansluitende deel van West-Azië. Het ontbreekt in het uiterste noordoosten. Door de mens is de soort geintroduceerd in Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland.

De soort is zeer algemeen in de Benelux en is in Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland een van de kensoorten van het

16Bb Glanshaververbonden

16Bb1 Glanshaver-associatie

De plantensoort 'Glanshaver' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

In verse toestand laat de smakelijkheid te wensen over door de aanwezigheid van bitterstoffen. Maar als gedroogd hooi heeft dit gras een hoge voedingswaarde voor het vee.

Als windbestuiver brengt Glanshaver erg veel zeer sterk allergeen pollen in de lucht.

Gedurende de bloeitijd van Glanshaver vanaf midden mei tot in september levert deze grassoort dan ook een belangrijke bijdrage aan de totale pollendruk door grassen.

De herkomst van de naam Haver is onzeker. Daarbij is Avena als mogelijke bron de oude Latijnse benaming en tevens de grondslag voor de naam Evene . Misschien is er verwantschap met het capron(e)ae dat haar langs slapen betekent. Dan zou de harige toepasselijk zijn gezien de lange kafnaalden. De Glans is wel afkomstig van het beeld dat de bloeipluim oplevert. Het Griekse Arrhèn staat voor Mannelijk en vormt met athèr dat baard, naald betekent een duidelijk toepasselijke benaming. De soortnaam elatius wijst op de hoge, verheven groei (met dank aan Jan van Twisk).

Frans: Avoine

Nog meer informatie over de ecologie van Glanshaver en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 143.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 219.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 23ste druk: 865.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Arrhenátherum elátius