Video Determinatie

Zandhoornbloem - Cerastium semidecandrum

Op droge zandgrond in de duinen tot in de zeereep, maar ook in droge bermen bloeit al vroeg in het jaar de Zandhoornbloem, Cerastium semidecandrum. De kleine planten hebben kleverige klierharen waardoor ze heel veel zandkorrels vast houden. Alle stengels die uit de kleine rozetten ontspruiten dragen bloemen. De kroonbladen zijn ongeveer even groot als de kelkbladen en opvallend is dat de schutbladeren onder de bloemstelen allemaal een vliezige rand hebben. De afgestorven planten blijven in de zomer nog lang staan.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Zandhoornbloem, Cerastium semidecandrum L., is een eenjarige soort uit de Anjerfamilie. Dit blijkt uit het feit dat je alleen bloeiende stengels vindt. Er zijn dus geen niet-bloeiende stengels te vinden, zoals bij de meerjarige soorten als Akkerhoornbloem en Gewone hoornbloem. De plant kiemt in de winter, vormt een kleine rozet en bloeit vroeg in het voorjaar. Na de bloei vind je de afgestorven planten nog een tijdje.

De kleine planten van de Zandhoornbloem zijn kleverig door de aanwezige klierharen in het bovenste deel van de plantjes en er plakken altijd zandkorreltjes aan.

Aan de liggende tot rechtopstaande stengels staan de kleine elliptische tot lijnvormige bladeren tegenover elkaar. Bovenin de gedrongen planten tref je een bloeiwijze aan. Dit is een armbloemig bijscherm.

De kroonbladen zijn niet groter dan de kelkbladen. De haren aan de top van kelkbladen steken niet buiten de rand van de kelkbladen uit. De rand van de kelkbladen is duidelijk vliezig. De nagel van de kroonbladen, dat is het onderste smalle deel, is kaal. Het aantal meeldraden is vijf, de helft van het bij de Hoornbloemen normale aantal. Hierop slaat een deel van de soortsnaam ('semi' betekent half). De schutbladeren aan de voet van de bloemetjes hebben een smalle tot wat bredere vliezige rand die een kwart van het blad kan beslaan. De witte kroonbladen zijn onregelmatig getand of hoogstens tot 1/5 van de totale lengte ingesneden. De vruchtstelen slaan na de bloei terug.

Met Vroegeling hoort de Zandhoornbloem tot de vroegstbloeiende plantensoorten op onze zandgronden. Je vindt haar voornamelijk in de duinen tot aan de zeereep, waar ze samen met de Kleine hoornbloem voorkomt, en ook op rivierduinen en zandige rivierduinen. In de hogere delen van Nederland vind je de soort in droge zandige bermen; als je haar vindt in de klei- en veenstreken, dan is er sprake van aangevoerd zand, waar ze dan op staat.

MM_120107

Laatste wijziging 141207

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Anjerfamilie - Caryophyllaceae
Plantengeslacht:
Hoornbloem - Cerastium
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.02 - 0.20 meter
Bloeiperiode:
Maart - Mei
Bloemkleur:
wit
Bloeiwijze:
bijscherm
Bloemvormen:
vijftallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelkbladen, 5 kroonbladen
Meeldraden:
5 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
3
Stempels:
3
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengel:
behaard
Schors:
-
Bladstand:
tegenoverstaand
Bladvormen:
lijnvormig, elliptisch
Bladrand:
gaaf
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Het areaal van Zandhoornbloem omvat Europa met uitzondering van de meest noordelijke en zuidwestelijke streken. In Nederland, dat in het meest noordelijk deel van het areaal van Zandhoornbloem ligt, komt ze algemeen voor in de duinen en de zeereep en op zandige rivierduinen. Ze is een van de algemene vroegbloeiende soorten op open zandige bodems en in Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, wordt ze ingedeeld bij de

13Aa1 Associatie van Tengere veldmuur

14 Klasse van de droge Graslanden op zandgrond

De plantensoort 'Zandhoornbloem' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Een bijzonderheid van de Zandhoornbloem is toch wel het gegeven dat er steeds slechts vijf of minder meeldraden in de bloemen te vinden zijn. Normaal zijn dat er bij de Hoornbloemen tien.

Meer informatie over de ecologie van de Zandhoornbloem en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (1985) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 192

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 289-290.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 450.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Cerástium semidecándrum.