Video Determinatie

Slangenkruid-associatie - Echio-Verbascetum

De Slangenkruid-associatie vormt een tamelijk soortenrijke, open tot min of meer gesloten, zeer bloem- en kleurrijke, tamelijk ruige, tot anderhalve meter hoge, vaak uit twee lagen bestaande pioniergemeenschap. Zij bestaat uit een boeket van wit-, geel-, blauw- en soms ook roodbloeiende planten. De top van de bloei is in het begin van de zomer. Veel soorten hebben een bladrozet, zijn twee- tot meerjarig en sterven na de bloei af.
Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Van alle gemeenschappen van de Klasse van de ruderale gemeenschappen groeit deze warmteminnende pionierruigte op de meest lichte en droge standplaatsen. De associatie is kalkminnend en komt voor op lichte, goed waterdoorlatende, basische, matig stikstofrijke, enigszins humeuze, gewoonlijk zandige bodems, maar plaatselijk ook op krijt. Vaak is het zand gemengd met steen- of schelpgruis. Het pioniermilieu ontstaat door bodemverstoring in bermen en afgravingen, op zand-, steen- en schelpendepots, op basalthellingen langs de rivieren, langs schelpenpaden, in de duinen op zuidhellingen waar struiken afsterven, en op krijthellingen waar door erosie of menselijk ingrijpen een open milieu is ontstaan. Konijnen kunnen een belangrijke rol spelen bij de voor deze associatie noodzakelijke bodemverstoring. De gemeenschap is van groot belang als nectarbron voor insecten. Vooral Slangenkruid wordt druk bezocht door bijen, vlinders en zweefvliegen.

De Slangenkruid-associatie ontstaat direct als pioniervegetatie op omgewoelde kalk- en humushoudende bodem of kan als secundaire pioniervegetatie volgen op de Vlieszaad-associatie. In de duinen kan zij zich ook vestigen waar Duindoornstruwelen afsterven en het zand beweeglijk is. In het binnenland kan de successie verder gaan naar ruigten met Boerenwormkruid, Akkerdistel, Dauwbraam en/of Wilde marjolein. In de duinen zijn Duindoornstruwelen of Duinrietruigten een volgend successiestadium.

Waarschijnlijk omvat het Europese areaal van de Slangenkruid-associatie de laagvlakten van noordelijk en noordwestelijk Midden-Europa. In Nederland komt de associatie verreweg het meest voor in de vastelandsduinen tussen Wassenaar en Bergen met het centrum rondom Haarlem. Verder komt zij hier en daar voor in het Heuvelland, langs de rivieren, in het Waddengebied en op de Pleistocene zanden van Gelderland en Noord-Brabant; daarbuiten is zij zeldzaam. In Limburg komt ze nog voor op enkele ruïne- en vestingmuren.

Van de associatiekensoorten Slangenkruid, Gewone ossentong, Middelste teunisbloem, Koningskaars, Rode aardbeispinazie en Stekelzaad komt Slangenkruid het vaakst voor, terwijl de presentie van Stekelzaad zeer laag is. Van de klassekensoorten komt Canadese fijnstraal het meest voor. Verder hebben Dauwbraam, Zandzegge, Veldhondstong, Grote brandnetel en Veldbeemdgras een hoog aandeel in de begroeiing. In de duinen vinden veel soorten uit droge, niet-ruderale pionier- en graslandbegroeiingen in deze gemeenschap een plek.

In de plantenassociatie 'Slangenkruid-associatie' komen de volgende plantensoorten voor:

Schaminée, J., Sýkora, K., Smits, N. en Horsthuis, M., 2010, Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, KNNV Uitgeverij Veldgids nr 25, pp. 324-325.Het codenummer van deze gemeenschap luidt in deze Veldgids 31Ba1.

 

Schaminée, J., Haveman, R., Hennekens, S., Horsthuis, M., Janssen, J., Ronde, I. de, Smits, N. en Sýkora, K., 2022, Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, KNNV Uitgeverij, 3e druk, pp. 334-335. In deze nieuwe druk van de Veldgids luidt het codenummer van deze associatie of plantengemeenschap r32Ba1.