Composietenfamilie of Asteraceae


Akkerdistel
Akkerkool
Akkermelkdistel
Alsemambrosia
Bezemkruiskruid
Bijvoet
Bleekgele droogbloem
Boerenwormkruid
Boskruiskruid
Canadese fijnstraal
Canadese guldenroede
Donderkruid
Duits viltkruid
Duizendblad
Dwergviltkruid
Echt bitterkruid
Echte guldenroede
Echte kamille
Engelse alant
Gekroesde melkdistel
Gele ganzenbloem
Gewone klit
Gewone melkdistel
Gewoon biggenkruid
Groot hoefblad
Groot streepzaad
Grote centaurie
Grote klit
Harig knopkruid
Heelblaadjes
Jakobskruiskruid
Kaal knopkruid
Kale jonker
Kalketrip
Klein hoefblad
Klein kruiskruid
Klein streepzaad
Kleine leeuwentand
Knikkende distel
Stacks Image 3104086
Knoopkruid
Stacks Image 3104084
Kompassia
Koninginnekruid
Korenbloem
Kruldistel
Late guldenroede
Madeliefje
Moederkruid
Moerasdroogbloem
Moeraskruiskruid
Muizenoor
Oosterse morgenster
Oranje havikskruid
Paardenbloem
Reukeloze kamille
Rijncentaurie
Schaduwkruiskruid
Schijfkamille
Speerdistel
Stengelomvattend havikskruid
Stijf havikskruid
Stijve zonnebloem
Vertakte leeuwentand
Wegdistel
Wilde averuit
Wilde bertram
Wilde chicorei
Zulte
Zwart tandzaad

De Composietenfamilie is de grootste familie in onze contreien als het om het soortenaantal gaat. Dat leidt ertoe dat de veelvormigheid, bijvoorbeeld wat de bladeren betreft erg groot is, van gaafrandig langwerpig, tot veerdelig ingesneden en zelfs stekeltandig.

Maar de vorm van de bloeiwijze is, een paar uitzonderingen daargelaten, wel heel eenvormig en daardoor gemakkelijk te herkennen.

Zo bestaat de bloeiwijze, die toch wel vaak ten onrechte ‘bloem’ wordt genoemd, uit een zogenaamd ‘hoofdje’, dat wil zeggen dat er een heel groot aantal, soms honderden, kleine bloemen bij elkaar staat op een gemeenschappelijke bloembodem. Die gemeenschappelijke bloembodem wordt omgeven door een flink aantal blaadjes, het ‘omwindsel’. Deze omwindselblaadjes variëren van groen, tot stekelpuntig tot groen met een kamvormig bruin aanhangsel.

Elke kleine bloem die op de bloembodem staat heeft een onderstandig vruchtbeginsel dat na bevruchting uitgroeit tot een nootje. Het vruchtbeginsel heeft één stijl met tweelobbig stempel, en als het ontvankelijk is voor stuifmeel of pollen staan de lobben uitgespreid. Op het vruchtbeginsel staan de vijf kroonbladen en vijf meeldraden ingeplant. De helmdraden zijn vrij, maar de helmknoppen zijn vergroeid en vormen een buis om de stijl. Vaak is er een ‘kelk’ aanwezig in de vorm van veel haren, het ‘pappus’. Soms vind je daarvoor in de plaats schubben. Tussen de afzonderlijke bloemen staan bij een aantal soorten stroschubben, die je kunt vergelijken met schutbladeren bij “gewone bloemen”. De kroonbladen zijn vaak vergroeid met elkaar tot een lint, maar dan is toch vaak aan de top van zo’n lint een vijftal tanden te zien. Ook kunnen de kroonbladen te zien zijn als een korte buis, die dan eveneens vijf tanden vertoont. Een enkele soort heeft een viertallige kroon, maar dat is uitzonderlijk. Op een hoofdje kun je drie situaties onderscheiden: er zijn of alleen buisbloemen, of alleen lintbloemen of er zijn lintbloemen aan de rand van het hoofdje en buisbloemen in het midden van het hoofdje.

Na de uitrijping tot een nootje vormt het pappus een soort paraplu waarmee het zaad door de wind wordt meegenomen. Ten onrechte wordt dit zaadtransport wel in verband gebracht met hooikoorts, wat je reinste onzin is. Hooikoorts wordt immers veroorzaakt door stuifmeel of pollen.

De meeste soorten hebben tweeslachtige bloemen, maar er is een klein aantal soorten dat eenslachtige bloemen heeft, zoals de beruchte hooikoortsplant Ambrosia, die miljoenen sterk allergene pollenkorrels in de lucht kan brengen.

De bladeren staan of bij elkaar in een rozet direct op de ondergrondse delen, of ze staan in een rozet en verder verspreid langs de stengel. Enkele soorten hebben in het onderste deel langs de stengel bladeren tegenover elkaar staan en hogerop verspreid.