Video Determinatie

Egelboterbloem - Ranunculus flammula

In natte graslanden, vochtige duinvalleien, in de vegetatiegordel om de rand van vennen staat een Boterbloem met kleine alleenstaande bloemen en ongedeelde bladeren. Het is de tot in oktober bloeiende Egelboterbloem, Ranunculus flammula, die niet hoger wordt dan zo'n 45 cm.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Binnen het geslacht van de Boterbloem, Ranunculus, met gele bloemen tref je twee soorten aan met ongedeelde verspreid aan de stengel staande bladeren. De Egelboterbloem, Ranunculus flammula L., heeft niet zo'n grote, gele bloemen met een doorsnede van 0,5 - 1,5 (-2) cm. Deze regelmatige bloemen zijn kleiner dan die van de andere soort met ongedeelde bladeren, de Grote boterbloem. De Egelboterbloem hoort tot de Ranonkelfamilie of Ranunculaceae.

De bloeiwijze bestaat meestal uit een paar alleenstaande bloemen. Aan het eind van de bloei van een alleenstaande bloem groeien de vele vruchtbeginsels uit tot dopvruchten die slechts 1,2 - 2 mm lang zijn. Aan de top van elk vruchtje zit een smalle, en zeer korte snavel. Ten opzichte van de eerder genoemde Grote boterbloem zijn deze dopvruchtjes klein, immers bij de Grote boterbloem zijn ze 2,5-3 mm lang en deze hebben een brede snavel.

De ongedeelde bladeren staan verspreid aan de rechtopstaande, holle stengel en de vorm is elliptisch, terwijl de hoger aan de stengel zittende bladeren langwerpig tot lancetvormig zijn. Opmerkelijk is dat de stengel ook op de bodem kan liggen, met tamelijk rechte stengelleden, die dan opnieuw kunnen wortelen.

Egelboterbloem groeit op vochtiger bodems dan de soorten Kruipende, Scherpe en Knolboterbloem, bijvoorbeeld in vochtige duinvalleien, en in de vegetaties die langs de randen van vennen staan en een deel van het jaar onder water kunnen staan. Ook op bospaden vind je de soort, met name waar wat water kan stagneren doordat de bodem door betreding verdicht is.

120820_MM

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Plantengeslacht:
Boterbloem - Ranunculus
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.10 - 0.45 meter
Bloeiperiode:
Bloemkleur:
geel
Bloeiwijze:
alleenstaande bloem
Bloemvorm:
regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kroonbladen, 5 kelkbladen
Meeldraden:
20 of meer
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
dopvrucht
Zaden:
-
Stengels:
hol, rechtopstaand, behaard, liggend
Schors:
-
Bladstanden:
rozet, verspreid
Bladvormen:
elliptisch, lancetvormig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds deel:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Egelboterbloem komt in vrijwel heel Europa voor en ook sporadisch in het Atlasgebied in Noord-Afrika. Ook in West-Siberië en aan de oostkust van Canada is de soort te vinden. In onze contreien komt de soort nog algemeen voor, maar ze lijkt wat achteruit te gaan. Volgens Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland maakt ze del uit van een aantal welomschreven plantengemeenschappen:

6Ab1 Associatie van Ongelijkbladig fonteinkruid

6Ac Verbond van Waternavel en Stijve moerasweegbree

8Bc3 Blaaszegge-associatie

9 Klasse der Kleine zeggen

28Aa1 Draadgentiaan-associatie.

28Aa2 Associatie van Borstelbies en Moerasmuur

De plantensoort 'Egelboterbloem' komt voor in de volgende plantenassociaties:

Jonge planten vormen een rozet van langgesteelde bladeren, die afgerond driehoekig zijn en gekarteld. Als de plant later in haar leven tot bloei komt, is deze rozet niet meer terug te vinden, omdat ze dan al zijn afgestorven. Later verschijnen echter opnieuw aan de meerjarige plant rozetbladeren die ovaal/elliptisch tot langwerpig zijn en een wigvormige voet hebben. Vanuit de eerste rozet ontstaan liggende, holle stengels, die op de knopen wortelen en opnieuw rozetjes kunnen gaan vormen. Zo kan de plant zich vegetatief uitbreiden.

De wetenschappelijke soortsnaam "flammula" (= vlammetje) heeft deze boterbloem waarschijnlijk te danken aan zijn erg scherpe, bijna stekende smaak.

Meer informatie over de ecologie van Egelboterbloem en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (1985) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 239.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 255. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 313.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 477.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Ranúnculus flámmula