Video Determinatie

Bosgierstgras - Milium effusum

In de voedselrijke loofbossen kan een tot 180 cm hoog gras gevonden worden met brede bladeren, die door een draai van het blad de onderkant naar boven draaien. Ze hebben ook een forse tot 5 mm lange vliezige tong en tijdens de bloei een grote tot wel 30 cm hoge en brede pluim met kleine eenbloemige aartjes. Het is Bosgierstgras, Milium effusum, dat een van de kenmerkende grassoorten van deze rijkere bossen is.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Met zijn grote, ijle pluim van wel 10 tot 30 cm groot op de forse tot maximaal 180 cm hoge planten, met daarin de vele kleine aartjes die één klein grasbloemetje bevatten, is Bosgierstgras, Mílium effúsum L., uit de Grassenfamilie of Poaceae, een opmerkelijke verschijning in de beschaduwde loofbossen en struweelranden.

In de open en ijle pluim staan de takken min of meer recht af en zijn later in de bloei meer of minder teruggeslagen. De spil van de bloeiwijze is glad. Van de forse 5-15 mm brede bladeren is bladschijf tenminste van de onderste bij het tot 5 mm lange, vliezig tongetje behaard. Ook staan langs de rand naar achteren wijzende wimperharen die bros zijn. De forse bladeren zijn zeer donker groen tot grijsachtig groen. Ze staan in een boog af van de stengel en draaien daarbij om hun as. Voor het vrijkomen zitten de bladeren om de stengel gerold, waardoor ze vlak zijn en niet een gleuf of scherpe vouw hebben. De planten hebben ondergronds kruipende korte wortelstokken, waardoor ze losse pollen vormen.

De vele kleine eenbloemige aartjes zijn strokleurig tot groen en lijken op korreltjes. Tijdens de bloei blijven de kelkkafjes het bloemetje omhullen en de bloemetjes gaan nauwelijks open tijdens de bloei.

Bosgierstgras is een van de belangrijke soorten in onze rijkere loofbossen en is redelijk algemeen te vinden in de bossen van Zuid-Limburg, de bossen op de stuwwallen rond Nijmegen, in Drenthe en verder minder te vinden.

Bosgierstgras komt verspreid voor in vrijwel het hele noordelijk gebied: oostelijk Noord-Amerika, Europa, Noord-, Midden- en Oost-Azië. Het lijkt erop dat het gras zich in de twintigste eeuw heeft uitgebreid in ons land wat te maken kan hebben met het rijper worden van de in de negentiende en begin twintigste eeuw aangeplante bossen.

MM_120614

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Plantengeslacht:
Gierstgras - Milium
Plantvorm:
gras
Plantgrootte:
0.50 - 1.80 meter
Bloeiperiode:
Bloemkleuren:
groen, strokleurig
Bloeiwijze:
pluim
Bloemvorm:
grasbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
2 kafje, 2 kroonkafje
Meeldraden:
3 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
graanvrucht of korrel
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
-
Bladstanden:
in twee rijen, in losse pollen
Bladvorm:
lijnvormig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds deel:
bijwortelstelsel
Plantengemeenschappen:

Het areaal van Bosgierstgras omvat grote delen van het noordelijk halfrond. In Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, wordt Bosgierstgras beschreven als een kensoort van de

43 Klasse der voedselrijke Eiken- en Beukenbossen

De plantensoort 'Bosgierstgras' komt voor in de volgende plantenassociaties:

Als bijzonder kan beschouwd worden dat elk aartje in feite uit één grasbloemetje bestaat.

Nog meer informatie over de ecologie van Bosgierstgras en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 189.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 204. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 272.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 277.