Een fenomeen dat vooral van belang is in het voorjaar is dat sommige planten warmte benutten om insecten aan te trekken voor bestuiving en bevruchting. We maken daarbij onderscheid tussen planten die passief de warmtestraling van de zon invangen en planten die actief warmte produceren.
Laten we beginnen met de planten die passief de warmtestraling van de zon invangen. Er is een reeks van planten die met name in het vroege voorjaar warmtestraling van de zon invangen en benutten om insecten een warm plekje aan te bieden. Dat is dan een van de factoren, naast kleur en geur, waar die bestuivende insecten op af komen. Je kunt daar zelf een studie van maken, want deze planten hebben een zogenaamd tracking mechanisme waarmee ze in staat zijn om net als een schotelantenne de zon te volgen.

Let maar eens op de stand van de bloemhoofdjes van Madeliefjes. Je vindt deze planten veel in grasvelden en als ze staan te bloeien hebben ze hun hoofdje duidelijk gericht op het zuiden. Maak maar eens een foto van zo’n grasveld met de zon in de rug (in het zuiden dus) dan zie je alle geel-witte bloemhoofdjes naar je gericht en ze staan prachtig op je foto. Maak je echter een foto van de andere kant van datzelfde grasveld, dan zie je eigenlijk geen enkel bloemhoofdje in jou richting en dus ook niet op de foto. Ten opzichte van de directe omgeving van zo’n Madeliefjesbloem is het bloemhoofdje warmer dan de lucht eromheen. 

Dit verschijnsel kennen we ook van vroegbloeiende ranonkels. Ook die laten hun bloemen door de zon koesteren. Bosanemoon en Gele anemoon, die vroeg in het voorjaar in loofbossen bloeien, nog vóór dat er bladeren aan de bomen en struiken komen, passen ditzelfde trucje toe en daarbij draaien ze hun bloem ook nog vanuit zuidoostelijke richting, via het zuiden naar zuidwestelijke richting. Bij deze soorten is de bloem ook nog als een soort kom gevormd, waardoor de licht- en warmtestraling van de zon naar het binnenste van de bloem wordt geconcentreerd. Voor insecten dus een lekker warm plekje waar ze graag op af komen als het nog koel is buiten. Voor de bloemen de truc om stuifmeel te laten overbrengen van de ene bloem naar de andere en zo voor kruisbestuiving te laten zorgen.

Helemaal interessant zijn de planten die actief warmte produceren om daarmee bestuivers aan te trekken. Het mooiste voorbeeld in onze eigen wilde flora is de Gevlekte aronskelk. Deze soort staat meestal in de schaduw van loofbossen of in randen van bosschages en komt in het vroege voorjaar uit de ondergronds overwinterende wortelknollen tevoorschijn en gaat al vroeg bloeien in april. Ook voordat de meeste bomen in blad komen. De Gevlekte aronskelk gebruikt niet de warmtestraling van de zon, maar gebruikt zelfgemaakte brandstof om gedurende de nachtelijke uren in zijn rechtopstaande paarskleurige knots binnen het grote witte omhullend bloemblad, de spatha, eigen gemaakte brandstof te oxideren wat in feite overeenkomt met verbranden en dus warmteproductie. De stof die de plant daarvoor heeft aangemaakt is acetylsalicylzuur, dezelfde stof die we kennen onder de naam aspirine en die mensen gebruiken om pijn te bestrijden. Door dit acetylsalicylzuur te verbranden stijgt de temperatuur in het bovenste deel van die centrale knots en komen er aasgeurstoffen in de lucht rond die staaf en warmte. Zowel de warmte als de aasgeur trekt motvliegjes aan, die er een voorkeur voor hebben om op een nog warm lijk, bijvoorbeeld van een muis, voedsel te verzamelen, het zijn dus aaseters. Als de vliegjes in de richting van de centrale knots van de aronskelk vliegen, botsen ze tegen de erachter staande spatha en vallen versuft naar beneden waar ze terechtkomen in de ketel waarin de vrouwelijke bloemen rijp zijn en staan te bloeien.
Boven de ketel staan twee rijen haren naar beneden gebogen, zodat de vliegjes niet kunnen ontsnappen. Hebben de vliegjes eerder gevangen gezeten in een andere aronskelkbloem dan hebben ze mogelijk stuifmeel of pollen op hun lijf en kunnen daarmee de stampers van de vrouwelijk bloeiende bloemen helemaal onderin de ketel bestuiven en bevruchten. Een dag later rijpen de mannelijke meeldraadbloemen uit en ze strooien hun stuifmeel of pollen over de gevangen vliegjes uit. Als dat gebeurd is, verslappen de haren en versperren niet langer de uitgang van de ketel. De hongerige vliegjes vliegen weg op zoek naar een lijk, maar mogelijk is ook dat het spel zich herhaalt bij een volgende net bloeiende bloeiwijze van de Gevlekte aronskelk. Zo’n type bloem waarbij de bestuivers in de val vliegen heet heel toepasselijk een Valbloem.
Nog zo’n soort is de Pijpbloem, een plantensoort die wat zeldzamer is en die eveneens vliegjes vangt, maar waarvan me niet bekend is of dat ook gepaard gaat met warmteproductie zoals de Gevlekte aronskelk dat doet.

Maurice Martens 210219