Spaanse ruiter, Cirsium dissectum, is een tot de verbeelding sprekende naam, waarbij je een sterk gewapende distel verwacht, die dat helemaal niet is. De plant heeft een lange stengel met één hoofdje met paarsrode bloemen, weinig bladeren die in het onderste deel van de stekelloze stengel verspreid zitten. De stengel is grijsgroen van kleur door de witviltige beharing. Vanwege de wortelstok waaruit de stengels ontspruiten, staan vaak meerdere exemplaren dicht bij elkaar.
Een meerjarige opvallende maar zeldzame Vederdistel is Spaanse ruiter, Cirsium dissectum (L.) Hill. uit de Composietenfamilie of Asteraceae. De plant valt direct op omdat hij een lange rechtopstaande stengel heeft met meestal maar één hoofdje.
Aan de ondergrondse wortelstok ontspringen uitlopers waardoor de plant meestal groepsgewijs aan te treffen is. Stengels komen tevoorschijn uit de wortelstok. Deze staan rechtop en hebben in de onderste helft een aantal verspreid zittende bladeren met een stengelomvattende voet. De onderste bladeren hebben een steelachtige voet met twee oortjes en de bovenste bladeren zitten met hun twee stengelomvattende oortjes zonder een smallere voet aan de stengel. De bladeren zijn van boven behaard en van onderen witviltig. Ze hebben een gave, soms gelobde of een fijn gestekelde rand. De stekels zijn zacht en de bladtop eindigt in een zachte stekel. De stengel is voorts spinragachtig behaard, waardoor de kleur grijsgroen is en d estengel groeit pas in volle lengte uit voor, tijdens en na de bloei.
Het meestal ene hoofdje heeft een omwindsel dat niet breder is dan 2,5 cm en het is smal eirond; ook de Speerdistel heeft dergelijke alleenstaande hoofdjes, maar die zijn veel forser en de plant is zeer stekelig, wat niet geldt voor de Spaanse ruiter. Het hoofdje heeft enkel buisbloemen, roodpaars van kleur en een omwindsel dat bestaat uit een aantal boven elkaar geplaatste rijen van omwindselbladen die later naar buiten buigen. Na bestuiving en bevruchting groeit het onderstandig vruchtbeginsel uit tot een nootje met een pappus dat bestaat uit gevederde haren. Met dit pappus kan het nootje op de wind een flinke afstand overbruggen. Het maakt onderdeel uit van de zogenaamde 'zomersneeuw'.
Na de bloei buigt het hoofdje voorover en door de uitstekende omwindselblaadjes krijgt het een typische vorm.
MM_260802
Het verspreidingsgebied van Spaanse ruiter is het westelijk Atlantisch deel van Europa vanaf de Pyreneeën tot en met de Britse eilanden. In Duitsland reikt het areaal tot in het noordwesten. In onze contreien is de zeldzaam geworden soort beperkt tot blauwgraslanden, die steeds minder voorkomen door de zogenaamde ontginning ten behoeve van de landbouw. Het meest komt de soort voor in het zuidoosten van Friesland. De Zuid-Oostgrens lag ooit bij Weert en Venlo, maar dat is verleden tijd.
Spaanse ruiter was een door de flora en faunawet wettelijk beschermde plant tot 2017 en staat nog steeds als 'kwetsbaar en beschermd' vermeld in de Heukels' Flora van Nederland (2020).
Als u geïnteresseerd bent in meer uitgebreide gegevens over de ecologie van Spaanse ruiter, de relaties met andere organismen en het milieu, dan vindt u dat in Weeda, E.J. et al., (1991) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 4: 137
Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 619. Of met de nieuwste druk van deze flora: Duistermaat, H(Leni). (2020) Heukels' Flora van Nederland, 24ste druk: 677.
Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 1095.
Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Círsium disséctum