Video Determinatie

Katwilg - Salix viminalis

Aan waterkanten staan vaak Wilgen waaronder de Katwilg, of Salix viminalis. Katwilg is een struikvormige wilgensoort die zelden de vorm van een boom heeft. In het vroege voorjaar ontwikkelen zich de katjes en daarbij valt op dat aan de ene struik katjes komen met alleen meeldraadbloemen, en aan andere struiken katjes met alleen stamperbloemen. Het is dus een tweehuizige soort. Zowel de meeldraadbloemen als de stamperbloemen kleuren de katjes fel geel. Later komen de twijgen en bladeren pas uit de knoppen te voorschijn. De bladeren zijn zeer lang en smal, hebben een naar binnen omgevouwen bladrand en zijn van onderen dof grijsgroen en van boven blinkend donker groen. in de video is dit goed te zien.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

De Wilgenfamilie is een familie van tweehuizige bomen en struiken. Het geslacht Salix, Wilg, omvat vooral struiken die vaak te vinden zijn aan oevers van rivieren en plassen. De Katwilg, of Salix viminalis L., is een gemakkelijk te herkennen wilgensoort. De struiken worden tot zo'n vier meter hoog.

De bladeren van de Katwilg zijn smal en lang. De breedte ligt tussen de 5 en 15 mm en de lengte bedraagt 10 - 25 cm. Ze zijn 7 - 20 maal zo lang als breed. De steunblaadjes zijn lancetvormig, maar vallen al snel af. De buitenrand van de bladeren is naar beneden omgerold. De bladeren zijn zilverglanzend behaard, met name aan de onderzijde. De bladstelen zijn 5 - 15 mm lang. Ze staan verspreid langs de takken en twijgen.

Jonge twijgen zijn grijsachtig behaard en worden al spoedig kaal en gelig van kleur. Het hout onder de bast van de takken van de Katwilg is glad.

In het vroege voorjaar botten de katjes uit voordat de bladeren van onder de dekschubben vandaan uitlopen. De bloei is van maart tot april, soms begint de bloei al eind februari, zeker als de winter weinig voorstelt. De struiken met mannelijke katjes zijn tijdens de bloei goed te herkennen door de felgele kleur van de helmknoppen. De eenvoudige bloemen hebben een donkerkleurig behaard schutblad, twee meeldraden met helmknoppen en een honingklier. Hoewel Wilgen windbestuivers zijn, zijn ze door die honingklier ook attractief voor vroege insecten en zal er ook bestuiving via insecten, zoals bijen, plaats kunnen vinden. De vrouwelijke bloemen, die op andere struiken te vinden zijn, hebben een bovenstandig vruchtbeginsel met een lange stijl en ook een honingklier. De stijl heeft de vorm van een Y met twee stempels. Een kenmerk dat de Katwilg en de Duitse dot onderscheidt van de andere wilgensoorten. De vruchtbeginsels groeien in de loop van de lente uit tot een doosvrucht waaruit de kleine zaden met pluizige draden bij rijpheid te voorschijn komen. Deze kleine zwarte zaadjes kunnen door het pluis over grote afstanden door de wind meegenomen worden. Soms is er zoveel wilgen- en populierenpluis in de lucht dat het lijkt of er sneeuwvlokken door de lucht dwarrelen. Dit verschijnsel wordt 'zomersneeuw' genoemd.

De Katwilg staat op vochtig tot natte en matig tot zeer voedselrijke bodems in struwelen en bosranden, bij voorkeur in de buurt van oppervlaktewater. Ook in grienden wordt de Katwilg veel aangeplant.

Wilgen snoeihout, zogenaamde wilgentenen, werd en wordt voor allerlei doeleinden gebruikt. Opvallend is het vlechten van wilgentenen in betuiningen; een al heel oud systeem om afrasteringen te maken rond door vee beweide percelen of om moestuinen te beschermen tegen vrij rondlopende dieren, zoals wilde zwijnen.

MM_110910

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Plantengeslacht:
Wilg - Salix
Plantvorm:
struik
Plantgrootte:
1.50 - 4.00 meter
Bloeiperiode:
Bloemkleuren:
geel, grijs
Bloeiwijze:
katje
Bloemvorm:
nvt
Bloemtype:
eenslachtig
Bloembladen:
1 schubben
Meeldraden:
2 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
nootje met haarkuif
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
gegroefd, bruin
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
lancetvormig, langwerpig
Bladrand:
omgerold
Ondergronds deel:
hartwortelstelsel
Plantengemeenschappen:

Het verspreidingsgebied van de Katwilg omvat de gematigde streken van Europa en Azië. De westgrens van het areaal valt samen met de kust van Nederland en België. In Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland wordt de Katwilg ingedeeld in

38 Klasse der Wilgenvloedbossen en -struwelen

De plantensoort 'Katwilg' komt voor in de volgende plantenassociaties:

Wilgen worden bezocht door bijen en andere insecten vanwege de nectar die de honingklieren in de bloemen produceren. Maar het zijn ook windbestuivers en daarom zijn er kleine aantallen mensen die gevoelig zijn voor het pollen dat in het vroege voorjaar in de periode maart-april in de lucht kan komen. Zomersneeuw, dat zijn de vlokken die je ziet zweven als het zaad met zijn haarkuiven door de wind wordt verspreid, is niet allergeen, dus daar hoef je als hooikoortspatiënt niet bang voor te zijn.

Meer informatie over de ecologie van de Katwilg en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (1985) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 74.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 337. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 427.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 385, 387 en 388.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Sálix viminális