Naaldwaterbies - Eleocharis acicularis

Een klein blijvende grasachtige soort die je langs oevers kunt vinden is de Naaldwaterbies. Hij staat op zeer natte plekken en breidt zich met liggende wortelstokken uit over en in de modderige bodem. Als je de plant kent, zie je hem ook wel eens drijven in diepere wateren. Aan omhoogstaande tere stengels zitten de aren, waarin kleine cypergrasbloemen te vinden zijn.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een meerjarige tot zo'n 20 cm hoog wordende maar vaak klein blijvende grasachtige soort is Naaldwaterbies, Eleocharis acicularis (L.) Roem. &Schult., uit de Cypergrassenfamilie of Cyperaceae.

De soort is een oeverplant die op zeer natte plaatsen gedijdt en zich door middel van kruipende wortelstokken over en in de vochtige bodem kan uitbreiden. Maar de soort kan in diepere wateren ook in het water drijven of zweven, maar dan zal hij niet bloeien.

Op de knopen van de wortelstokken ontwikkelen zich wortels en stengels die bovenin een aarvormige bloeiwijze hebben. De stengels zijn teer en dun als draden maar met een loep is goed te zien dat ze vierkantig zijn. Dat is een mooi onderscheid met echte grassen, biezen en zegges, die ronde of driekantige stengels hebben. De bloemen in de aar hebben kafjes met een lichte middennerf die afsteekt tegen de donkere rest van de kafjes.

De vruchten, het zijn nootjes, hebben duidelijke overlangse ribben; vaak zijn het er twaalf en tussen deze ribben zitten kleine dwarsribben. Ook daar is een loep bij nodig, want de op dwarse doorsnee ronde nootjes zijn maar een mm lang. Aan de bovenzijde van het nootje blijft een rest van de dikke stijl zitten; dat onderscheidt de Waterbiezen van de Biezen, waar de stijl geheel afvalt. Het vergt dus wel wat gepriegel om de goede kenmerken te kunnen waarnemen.

Langs sloten en plassen kun je de planten als oeverplant vinden op zandige bodems en veen. Zoals al gememoreerd kunnen de planten ook in wat dieper water zweven.

MM_180915

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Cypergrassenfamilie - Cyperaceae
Plantengeslacht:
Waterbies - Eleocharis
Plantvorm:
gras
Plantgrootte:
0.03 - 0.20 meter
Bloeiperiode:
Juni - September
Bloemkleur:
bruin
Bloeiwijze:
aar
Bloemvorm:
cypergrassenbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
1 kafje
Meeldraden:
3 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
nootje
Zaden:
-
Stengel:
vierkantig
Schors:
-
Bladstand:
rozet
Bladvormen:
priemvormig, naaldvormig
Bladrand:
gaaf
Ondergrondse delen:
wortelstok, wortelend op de knopen
Plantengemeenschappen:

Het verspreidingsgebied of areaal van Naaldwaterbies omvat vooral 's winters onderwaterstaande plaatsen, die 's zomers droogvallen in de gematigde en koudere streken van het noordelijk halfrond. Maar het verspreidingsgeboied strekt zich verder ook uit over Mexico, het zuidoosten van Azië en Australië. Hoewel de soort over heel Nederland gezien wordt aangeduid als zeldzaam, is hij op de plaatsen waar hij staat algemeen. Dit geldt voor bijvoorbeeld heidevennen en beekoevers van de hogere pleistocene streken. Verder vind je de soort in de daaraan grenzende laagveengebieden en langs onze grote rivieren.

De plantensoort 'Naaldwaterbies' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Langs de grote rivieren komt Naaldwaterbies vaak voor in gezelschap van Slijkgroen, Rode waterereprijs en Platte rus. Hij komt daar voor in de volle zon en ook op door hogere bosschages beschaduwde plekken.

Nog meer informatie over de ecologie van Naaldwaterbies en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 268-

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 142. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 186.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 234.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Eleócharis aciculáris.

In het Duitstalig deel van Europa luidt de naam Nadel-Sumpfsimse, Riedgrasgewächse.