Gelobde maanvaren - Botrychium lunaria

Een zeldzame kleine varen die te vinden is op vochtig tot natte bodem vooral in de duinen is Gelobde maanvaren, Botrychium lunaria. De varen wordt zelden hoger dan 20 cm, heeft een vegetatief, geveerd blad met halve maanvormige bladdelen, en een fertiel blad dat als dubbel geveerde sporofoor met bolvormige sporangia bezet is.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

De meeste varensoorten die we in onze contreien ontmoeten zijn grote planten, denk aan de Stekelvarens en de Adelaarsvaren, maar er zijn ook kleine varens die vaak opvallen door hun typisch uiterlijk. Daartoe behoort de meerjarige Gelobde maanvaren, Botrychium lunaria (L.) Sw., uit de Addertongfamilie of  Ophioglossaceae.
Het zijn vaak alleenstaande planten in een vegetatie die je vaak aantreft op de overgang van uitgesproken natte vegetaties tot droge vegetaties, zoals je die aantreft in duinvalleien waar je de soort kunt vinden in de overgang van het natte, laagste deel van een duinpan naar het droge deel van de oevervegetatie daarvan.
Op de overblijvende wortelstok ontwikkelt de varen in het vroege voorjaar een stengel met twee soorten bladeren, die tegelijkertijd tevoorschijn komen en waarbij het niet-fertiele blad het fertiele aanvankelijk omhult. Het niet-fertiele vouwt zich als eerste open en bestaat uit een geveerd blad met bladdelen die de vorm hebben van halve manen. Zo'n bladdeel heeft een gave tot gekartelde en als het wat ouder is een beetje ingesneden bladrand. Het lijkt dan in de verte ook wel wat op een klein blad van Ginkgo biloba. Deze overeenkomst wordt versterkt door de gaffelvormige nervatuur van deze bladdelen. Dit niet-fertiele blad staat meestal een beetje schuin omhoog.
Het fertiele blad of sporofoor ontwikkelt zich langzaam maar zeker als voortzetting van de stengel. Het is een pluimvormig, dubbel geveerd blad dat bezet blijkt met bolvormige sporangia. In de voorzomer zie je het blad groter worden en als de sporen rijp zijn kleuren de sporangia een beetje goudbruin. Ze openen zich en laten de haploïde sporen vrij die door de wind worden meegevoerd. Je zou dit de bloei kunnen noemen van deze varen. Uit die sporen kunnen dan prothallia ontstaan waarop zich de mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen kunnen ontwikkelen die dan tot zygotevorming kunnen leiden. Uit de zygote ontstaat dan een nieuwe diploïde generatie. Na deze 'bloei' sterft de varen af en blijft de wortelstok met de resten van de plant in de vorm van bruine schubben achter.
MM_230227

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Plantengeslacht:
Maanvaren - Botrychium
Plantvorm:
sporenplant
Plantgrootte:
0.05 - 0.20 meter
Bloeiperiode:
Bloemkleuren:
groen, bruin
Bloeiwijzen:
pluim, sporenaar, sporenkapsel
Bloemvorm:
nvt
Bloemtype:
-
Bloembladen:
-
Meeldraden:
-
Vruchtbeginsel:
-
Stijlen:
-
Stempels:
-
Vrucht:
-
Zaden:
-
Stengels:
geribd of geribbeld, rechtopstaand
Schors:
-
Bladstanden:
wortelstandig, rozet, verspreid
Bladvorm:
oneven geveerd
Bladranden:
gaaf, gekarteld, ingesneden
Ondergronds deel:
wortelstok
Plantengemeenschappen:

Gelobde maanvaren heeft een verspreiding in de koudere en gematigde streken van zowel het noordelijk als zuidelijk halfrond. Het is derhalve een kosmopoliet. Zijn standplaats is in onze contreien vooral in de duinen op de overgang van het natte, vaak onderwater staande deel van de duinpanvegetatie naar het drogere iets hoger gelegendeel. Op de overgang tussen deze vegetaties vind je dan een strook waarin je Gelobde maanvaren kunt aantreffen. Ook op de noordhellingen in de duinen kun je de varen vinden onder de Kruipwilgen, die daar de vegetatie domineren. De noordhellingen van duinen zijn veel minder gevoelig voor uitdrogen dan de zuidhellingen, die immers in de volle zon geëxponeerd zijn. Vaak zit in de zandige, vochtige tot natte bodem ook wat kelk en leem.

De plantensoort 'Gelobde maanvaren' komt voor in de volgende plantenassociaties:

Het Griekse woord 'Botrys' dat 'druif' betekent is te beschouwen als de basis voor de wetenschappelijke soortsnaam 'Botrychium', immers de sporofoor, het fertiele blad, heeft met zijn bolvormige sporangiën wel iets weg van een druiventros. Dat 'lunaria' wijst op het woord 'Luna', afkomstig uit het Latijn, ligt voor de hand, gezien de vorm van de niet-fertiele bladdelen, die op halve manen lijken (met dank aan Jan van Twisk).

Opmerkelijk is dat je binnen de bruine schubben aan de voet van de stengel op de wortelstok al aanwijzingen kunt vinden van de plant die het volgende jaar tevoorschijn gaat komen.

Meer informatie over de ecologie van Gelobde maanvaren en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (1985) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 29.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk:

Of met de nieuwste druk van deze flora: Duistermaat, H(Leni). (2020) Heukels' Flora van Nederland, 24ste druk: 67.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk:

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Botrýchium lunária