Amerikaanse kruidkers - Lepidium virginicum

Een steeds meer echte stadsbewoner is Amerikaanse kruidkers met zijn grote trossen met bloemen met witte kroonbladen die wat groter zijn dan de kelkbladen. De planten kunnen maximaal kniehoog worden en daarbij sterk vertakken. De bladeren aan de stengels staan verspreid en zijn langwerpig tot lancetvormig. Ze hebben een gezaagde bladrand en een spitse top. De hauwtjes zijn zo'n 3 mm in doorsnee en cirkelrond.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Amerikaanse kruidkers, Lepidium virginicum L., is een één- tot tweejarige plantensoort uit de Kruisbloemenfamilie of Brassicaceae. Het is een invasieve exoot, die sinds het midden van de 19e eeuw voet aan wal gekregen heeft in onze contreien. De soort is afkomstig uit Noord-Amerika en ongewild met graan ingevoerd. Aanvankelijk was de soort niet zeer algemeen, maar sinds het midden van de vorige eeuw breidt ze zich steeds meer uit van spoorwegemplacementen en havenkades tot in de binnensteden.

Op de ondergrondse penwortel met worteluitlopers ontwikkelt de plant een rechtopstaande stengel met onderaan een bladrozet; de bladeren in deze bladrozet zijn liervormig veerspletig tot veerdelig, maar in de vruchttijd kunnen ze al verdord zijn en derhalve moeilijk waar te nemen zijn. Naarmate de plant ouder wordt kan hij bovenin flink vertakken. Aan de stengel en vertakkingen staan langwerpige tot lancetvormige bladeren verspreid en ze hebben een gezaagde bladrand en een spitse bladtop. De stengel en vertakkingen zijn met haren bezet. 

Naar boven toe aan de stengel en vertakkingen ontwikkelen zich de trosvormige bloeiwijzen. In de bloeiwijzen staan vele bloemen met witte kroonbladen die wat groter zijn dan de kelkbladen en meestal slechts vier of twee meeldraden. Hierin onderscheidt Amerikaanse kruidkers zich van de nauw verwante Dichtbloemige kruidkers, die kroonbladen heeft die kleiner zijn dan de kelkbladen of zelfs ontbreken. Na bestuiving en bevruchting ontwikkelen de bovenstandige vruchtbeginsels tot cirkelronde hauwtjes van 3 mm breed; op de top van het hauwtje is een hartvormige inkeping te zien waarin een stijlrest kan achterblijven. Het hauwtje is ongeveer half zo lang als de vruchtsteel waarop het staat en heeft een smalle en goed zichtbare vleugel aan de rand. De bruine zaden zijn tot 2 mm lang en tot net één mm breed. Aan een kant hebben een ze een duidelijke vleugelrand.

De planten zijn reukloos, wat ze onderscheidt van de verwante Steenkruidkers die erg veel lijkt op Amerikaanse kruidkers, maar onaangenaam geurt.

MM_260121

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Plantengeslacht:
Kruidkers - Lepidium
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.10 - 0.50 meter
Bloeiperiode:
Bloemkleur:
wit
Bloeiwijze:
tros
Bloemvorm:
regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
4 kelkbladen, 4 kroonbladen
Meeldraden:
4 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
hauwtje
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, behaard
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
lancetvormig, langwerpig
Bladrand:
gezaagd
Ondergronds deel:
penwortel
Plantengemeenschap:

Het areaal of verspreidingsgebied is in beginsel Noord-Amerika, maar vanaf de negentiende eeuw is de soort, een invasieve exoot, terecht gekomen in onze contreien. Aanvankelijk vooral op stenige terreinen als spooremplacementen, maar hij breidt zijn leefgebied duidelijk uit in de stedelijke omgeving op stoepen en geplaveide terreinen, langs rivieroevers en wegbermen.

De plantensoort 'Amerikaanse kruidkers' komt voor in de volgende plantenassociaties:

De stengels en vertakkingen in de bloeiwijze zijn bezet met kleine gebogen haren. Om die goed te kunnen zien moet je wel een loep gebruiken. Ook de bladeren zijn met haren bezet. Een echte bijzonderheid is het gegeven dat er meestal slechts vier meeldraden in de bloem aanwezig zijn. Normaal bij de planten uit de Kruisbloemenfamilie vind je 4 lange en 2 korte meeldraden.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Amerikaanse kruidkers en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 41.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 433. Of met de nieuwste druk van deze flora: Duistermaat, H(Leni). (2020) Heukels' Flora van Nederland, 24ste druk: 494-495.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 538.

Denters, T.  (2020) Stadsflora van de Lage Landen, Fontaine Uitgevers: 202.

Cappers, R.T.J., Bekker, R.M. en Feddema, D. (2023) Digital Diaspore Atlas of the Netherlands. Seeds, Fruits and Anthocarps. # 1064.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Lepídium virgínicum