Zeealsem - Seriphidium maritimum

Zee-alsem, Artemisia maritima, is een typische bewoner van de hogere schorren en kwelders, die sporadisch worden overstroomd door het zeewater, maar niet bij iedere vloed. De planten zijn zilverig viltig van uiterlijk en springen daardoor ook direct in het oog. Ze hebben fijn verdeelde gespleten bladeren en hele kleine hangende hoofdjes met alleen gele buisbloemen. Hun lijnvormige verbreiding volgt de zandige hoogten langs kreken.

Op de hogere delen van schorren en kwelders, die alleen bij wat hogere vloed en springvloed overstroomd worden tref je Zeealsem, Artemisia maritima L, uit de Composietenfamilie of Asteraceae aan. De soort, die vroeger ook wel Seriphidium maritimum heette, is meerjarig en kan, als halfstruik, behoorlijk dominant op de hoge kwelder aanwezig zijn. De planten geuren heel sterk, dat merk je goed als je er doorheen loopt.

De planten zijn zilverwit tot zilverblauwgrijs behaard, zowel de stengels, als bladeren en omwindselblaadjes van de kleine hoofdjes. Daardoor lijken de planten wat hun habitus, dat is het uiterlijk, betreft veel op Absintalsem. Op de korte wortelstokken ontwikkelen zich de stengels die voor een deel liggend zijn en voor een deel opstijgen. De onderste delen van die stengels verhouten tot takken en deze kunnen overwinteren net als de wortelstokken. De rechtopstaande stengels vertakken zich. Aan de takken en stengels staan de bladeren verspreid. Ze zijn diep ingesneden en daardoor zijn de bladdelen heel fijn verdeeld. De verdeling lijkt wel wat op de slippen van de Echte en Schijfkamille en wijken sterk af van de bladeren van de nauw verwante Bijvoet. De bladeren zijn dubbel- tot driemaal veerdelig.

De kleine hoofdjes hangen naar beneden aan een dun steeltje. In de hoofdjes, een paar mm groot, die een omwindsel hebben dat meer langer dan breed is, staan de gele buisbloemen. Deze zijn tweeslachtig, maar de stempellobben steken er niet boven uit; ze blijven in de bloemen ingesloten. Ook pappus ontbreekt en de kleine bloembodem is kaal en zonder stroschubben. Om dit te zien moet je zo'n klein bloemhoofdje doorsnijden met een scheermesje en uit elkaar peuteren.

De zaden zijn rondachtig en hebben geen speciale voorzieningen voor de verspreiding zoals pappus of andere uitsteeksels. We kan bij vochtig weer de zaadhuid plakkerig worden en dan kunnen de plakkende zaden verspreid worden.

MM_211003

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Plantengeslacht:
Alsem - Artemisia
Plantvorm:
dwergstruik
Plantgrootte:
0.25 - 0.60 meter
Bloeiperiode:
Bloemkleur:
geel
Bloeiwijzen:
tros, hoofdje
Bloemvormen:
composietenbloem, buisvormig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
5 vergroeid met elkaar
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
nootje
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, behaard, liggend
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
lijnvormig, lancetvormig, meervoudig geveerd
Bladrand:
behaard
Ondergronds deel:
rhizoom/ wortelstok
Plantengemeenschappen:

Areaal

Alsemsoorten zijn vanouds steppeplanten van het noordelijk halfrond. Deze steppen in Azië zijn relatief zout. waarschijnlijk zijn al direct na de laatste IJstijd soorten uit dit geslacht ook in Europa gekomen, maar zeker is dat niet. De Zeealsem zoals wij die in ons land aan de kusten kennen heeft een verspreidingsgebied dat reikt van het zuidwesten van Frankrijk tot in het Oostzeegebied. Ook in Duitsland, daar waar de bodem zout bevat, tref je onze Zeealsem aan. Verder tref je verwante soorten aan in de Alpen en verder in het zuidoosten van Europa, ook in steppeachtige gebieden aldaar.

Zonering hogere kwelders en schorren

Op onze kwelders en schorren zie je vanaf de kreek een iets omhooglopende vegetatiezonering: en wel het dichtst bij de kreek Klein schorrenkruid, vervolgens Lamsoor, daarna Zeealsem en op de hoogste delen Strandkweek.

De plantensoort 'Zeealsem' komt voor in de volgende plantenassociaties:

De geur lijkt sterk op die van Absintalsem, maar deze laatste vind je niet op schorren en kwelders, maar juist op zandige ruderale plekken, ook in de stad. De geur verdrijft een aantal insecten zoals muggen en kampeerders leggen dan ook wat Zeealsem in hun tent, als daar over kunnen beschikken. Ook werden planten in Zeeland gedroogd en tussen het linnengoed gelegd, waarschijnlijk niet alleen vanwege de geur maar ook om de kleermot te weren. Overigens is Zeealsem voor andere insecten onontbeerlijk als voedselbron.

Als u geïnteresseerd bent in meer uitgebreide gegevens over de ecologie van Zeealsem, de relaties met andere organismen en het milieu, dan vindt u dat in Weeda, E.J. et al., (1991) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 4: 85-86.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 608. Of met de nieuwste druk van deze flora: Duistermaat, H(Leni). (2020) Heukels' Flora van Nederland, 24ste druk: 714.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 1086.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Artemísia marítima