Video Determinatie

Appel - Malus sylvestris

De Appel, Malus sylvestris, als wilde soort, is te herkennen door de wrange, oneetbare en kleine vruchten. De ronde vruchten zijn 3 cm in doorsnee. De bladeren zijn rond tot elliptisch, hebben een steel die hoogstens tot de halve bladlengte reikt. Ze hebben een fijn gezaagde wat omgekrulde rand. Aan de onderkant blijft er beharing op de duidelijk uittredende nerven. Vroeg in het voorjaar bij het uitlopen hebben de bladeren twee priemvormige steunblaadjes van een halve cm die al snel afvallen, net als de rest van de beharing. De bloemen staan in een schermvormige tros; ze zijn zo'n vier cm in doorsnee. De kelkslippen en onderstandige vruchtbeginsels zijn viltig behaard. De kroonbladen zijn wit tot roze van kleur en de helmknoppen zijn geel. Bestuiving geschiedt door bijen.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Uit de Rozenfamilie kennen we een aantal soorten die aan de basis staan van veredelde fruitrassen. Appel, vroeger ook wel Wilde appel genaamd, Malus sylvestris Mill., is de wilde vorm waaruit kwekers in de loop van eeuwenlange selectie onze appelrassen hebben gecultiveerd.

De Appel is een hoge struik of lage boom en bereikt maximale hoogten van omstreeks 10 m. Bij de wilde vorm lopen de kale takken vaak uit in doorns; dat is bij de gekweekte rassen niet het geval. Aangezien er vaak verwilderde struiken en bomen in de omgeving te vinden zijn, meestal als gevolg van gekiemd zaad uit weggegooide klokhuizen, vind je ook wel van dit soort verwilderde exemplaren zonder doorns.

De bladeren staan verspreid aan de twijgen en takken. Ze zijn rond tot elliptisch en hebben een fijn tot dubbelgezaagde en een beetje omgekrulde rand. De nerven springen aan de onderzijde duidelijk uit. Aanvankelijk zijn de bladeren fijn behaard, vanonder witviltig, maar die haren vallen al snel af. Alleen op de nerven aan de onderkant blijft een zwakke beharing zichtbaar. De steel van de bladeren is ongeveer half zo lang als de bladeren groot zijn; bij de Peer zijn ze ongeveer even lang als de bladschijven. De steunblaadjes zijn smal en priemvormig. Ze zijn tot 5 mm lang, behaard en vallen ook snel af. Dit is een onderscheid met de Peer, die steunblaadjes heeft tot 10 mm groot.

De grote bloemen staan bijeen in een tros die een soort van vlak scherm vormt. Ze zijn tamelijk groot tot zo'n 4 cm. De kroonbladen zijn wit tot roze gekleurd en de helmknoppen van de vele meeldraden zijn geel, terwijl die van de Peer kersrood van kleur zijn, een mooi onderscheid tussen beide soorten. De kelken zijn wit viltig behaard. De vijf stijlen zijn gedeeltelijk vergroeid en de vruchtbeginsels zijn in de bloembodem verzonken. Meeldraden, kroon- en kelkbladen staan op de rand van het onderstandig vruchtbeginsel, annex bloembodem ingeplant. De kelkbladen zijn teruggeslagen.

Bestuiving en bevruchting geschiedt vooral door bijen en na bevruchting groeit het onderstandig vruchtbeginsel samen met de bloembodem uit tot een ronde vrucht. Op de vrucht blijven de kelkbladen achter. De pitvrucht is rondachtig en heeft onmiskenbaar de vorm van een appeltje van 3 cm groot. De smaak van de wilde appel is wrang. De gekweekte soorten hebben veel grotere vruchten en zijn in het algemeen zoeter van smaak.

In het wild groeiende Appelbomen komen nog regelmatig voor.

MM_140504

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Plantengeslacht:
Appel - Malus
Plantvorm:
struik of boom
Plantgrootte:
1.00 - 10.00 meter
Bloeiperiode:
Bloemkleuren:
roze, wit
Bloeiwijzen:
schermvormige tros, tuil
Bloemvormen:
vijftallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelkslippen, 5 kroonbladen
Meeldraden:
20 of meer
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
3
Stempels:
3
Vrucht:
steenvrucht
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
horizontale lenticellen, opgebroken, bruin
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
rond, elliptisch, eirond
Bladrand:
fijn gezaagd
Ondergronds deel:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Het verspreidingsgebied van de (wilde) Appel omvat heel Europa met uitzondering van het noorden, gerekend vanaf midden Scandinavië, en de aansluitende gebieden van Zuidwest-Azië. De soort is van oorsprong een bewoner van loofbossen, bosranden en struwelen. Biologen gaan ervan uit dat in Nederland nog echte wilde Appels, hoewel schaars in aantal, te vinden zijn in bossen in Drenthe, het Maasdal en de omgeving van Nijmegen en ook in het Zalkerbos in het stroomgebied van de IJssel bij Zwolle. Je herkent deze wilde bomen en struiken aan de voor mensen vrijwel oneetbare kleine vruchten.

De plantensoort 'Appel' komt voor in de volgende plantenassociaties:

De mens heeft de Appel, net als een aantal andere fruitsoorten, door middel van veredeling gedomesticeerd. Daarbij is uitgegaan van divers genetisch materiaal uit zowel Europa als Azië. Inmiddels is er een heel skala van Appelrassen beschikbaar met diverse smaken. Oude rassen als de Sterappel, Notarisappel en Keulenaar worden nog steeds door liefhebbers en mensen met gevoel voor historie, ook in de biologie, in stand gehouden. Modernere rassen zijn er inmiddels ook diverse.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van de Appel en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 92.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 391. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 388.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 731.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Málus sylvéstris.