De Paarse dovenetel, Lamium purpureum L., is een eenjarig akkeronkruid. Het plantje wordt niet groter dan 10 tot 30 cm en bloeit van maart tot oktober. Het kiemt het hele jaar door. Dat heeft tot gevolg dat je zelfs tijdens zachte winters bloeiende Paarse dovenetels kunt vinden.

De kruisgewijs tegenover elkaar staande bladeren zijn regelmatig gekarteld. De onderste stengelbladeren zijn eirond tot driehoekig. De hogere stengelbladeren zijn langer dan breed, eirond of ruitvormig. Deze bovenste bladeren zijn vaak paarsig aangelopen, wat de kleur van het bloeiend gedeelte versterkt. De stengel is vierkant op doorsnede.

De roodpaarse bloemkronen steken schuin omhoog in de pyramidale bloeiwijze. Ze hebben een rechte buis en de twee zijslippen dragen een draadvormig tandje. De helmknoppen vallen op door het oranje pollen. De bloemkronen zijn 1-2 cm lang en hebben van binnen geen haarring. De vergroeide vijftandige kelk is 5-8 mm groot, waarbij de tanden gelijk van lengte zijn en ongeveer dezelfde grootte hebben als de buis. De bloemen produceren nectar en trekken daarmee insecten aan die voor de bestuiving zorgen. De nootjes dragen een zogenaamd mierenbroodje, een oliehoudend aanhangsel. Deze nootjes worden door mieren versleept en zo verspreid.

De Paarse dovenetel is een akkerplant en houdt van een bodem die bewerkt of waarin gerommeld wordt, zoals in moestuinen en op erven. Je vindt hem ook in bewerkte bermen en op kaal getrapte grond. Vind je een grote populatie dan kun je ervan uitgaan dat er een te intensief bodemgebruik plaatsvindt. Hij komt ook in de duinen voor, op dijken en onder hakhout, maar ook langs stoepranden.

Door Maurice Martens © 2016 Flora van Nederland