Eénjarige Slofhak tref je vaak aan als ondergroei in Roggeakkers. Het gras heeft sterk vertakte stengels en een minder aangename toffeegeur. In bloei lijken de aarpluimen wat op sparretjes. De bloemen in de aartjes hebben slechts twee meeldraden.
Een éénjarig gras met een scherpe geur die wat lijkt op toffee, maar minder aangenaam is dan van Gewoon reukgras, is Slofhak, Anthoxanthum aristatum Boiss., uit de Grassenfamilie of Poaceae, soms ook nog wel Gramineae genaamd. De plant kiemt meestal in het najaar en bloeit aan het eind van de lente, voor de zomer.
Op het bijwortelstelsel ontwikkelt zich een sterk vertakte aantal stengels. Soms enigszins zodevormend. Dit is een kenmerk dat verschilt van het meestal eenstengelige Gewoon reukgras. Aan de stengels staan de lijnvormige bladeren in rijen boven elkaar. De schedemond en de voet van de bladeren is bezet met afstaande haren. Verder tref je enkel wat korte haren aan. Het tongetje is spits en heeft twee kleine oortjes.
De bloeiwijzen aan de top van de stengels zijn losse aarpluimen en lijkt wel wat op een sparretje. In de aartjes tref je één volledige tweeslachtige bloem aan en daaronder nog twee gereduceerde bloemen die enkel uit een kroonkafje bestaan; deze bezitten beide een kafnaald, die langer is dan de kafnaald van Gewoon reukgras. Het bovenste kelkkafje van een aartje is langer dan het onderste en de twee meeldraden hebben helmhokken van ongeveer drie mm. Dat is korter dan de helmknoppen van Gewoon reukgras. Reukgrassen hebben afwijkend van wat meestal het geval is bij Grassen slechts twee meeldraden en geen drie.
Het bovenstandig vruchtbeginsel van de tweeslachtige bloem groeit uit tot een korrel of graanvrucht. De zaden zijn nogal fijn, daardoor moeilijk te scheiden van Roggekorrels, waardoor Slofhak met het uitzaaien van Rogge vaak mee uitgezaaid wordt.
MM_260512
Van oorsprong is het areaal te zoeken in het zuidwesten van Europa, maar als cultuurvolger met standplaats in akkers heeft het zijn voorkomen uitgebreid naar het zuiden, westen en noordelijk midden van Europa tot in Polen en het Oostzeegebied toe. In Nederland is het bekend sinds de eerste helft van de negentiende eeuw en heeft zich uitgebreid vanuit Twente over grote delen van het land tot in de Belgische Kempen aan toe. Je treft het als akker(on)kruid aan in wintergraanakkers, waar Slofhak deel uit maakt van de Akkerplantengemeenschap, meer specifiek de Korensla-associatie (30Ba1).
De cumarinegeur, die we zo goed kennen van Gewoon reukgras is minder aangenaam en scherper van aard bij Slofhak.
Nog meer informatie over de ecologie van Slofhak en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 155-156.
Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 224. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, H.(Leni) (2020) Heukels' Flora van Nederland: 248.
Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 270. In deze flora wordt de soort Slofhakken genoemd.
Verbeek, P., Prins, U., Ketelaar, R., Eichhorn, K. en Brouwer, E. (2021, 3e druk 2024) Het Akkerboek. Ontwikkeling en beheer van kruidenrijke akkers. KNNV Uitgeverij: 52, 185.
Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Anthoxánthum aristátum