Kleine ruit valt op door zijn bossig uiterlijk. dat komt door de vele kleine deelbladeren en vele hangende bloemen in de enorme pluim. De kleine bloemen hebben een uit vier bloemdekbladen bestaand groenig bloemdek en veel daaronder uit stekende meeldraden. De grote bladeren zijn 3-4 voudig veerdelig en bestaan uit kleine drielobbige deelblaadjes.
Een meerjarige bossige plant met hangende bloemen is Kleine ruit, Thalictrum minus L., uit de Ranonkelfamilie of Ranunculaceae.
Ondergronds heeft de plant uitlopers, waardoor planten die bij elkaar in de buurt staan tot dezelfde plant behoren en derhalve klonen van elkaar zijn. Uit de wortelstok komt de plant weer tevoorschijn en heeft een aantal rechtopstaande geribde stengels, waaraan de bladeren verspreid staan en die eindigen in enorme pluimen met bloemen.
De planten vallen op door hun vele kleine hangende bloemen met hangende meeldraden en de 3-4 meervoudig gedeelde bladeren. Daardoor heeft de plant een warrig en bossig uiterlijk. De bladeren hebben een schede-achtige bladsteel en bestaan uit kleine deelblaadjes die met stelen binnen het samengesteld blad staan. De omtrek van een heel blad is een driehoek met een basis die ongeveer even lang is als de hoogte van de driehoek. De deelblaadjes zijn ingesneden en hebben de vorm van een soort drietallig blaadje. De grootte van de deelblaadjes kan verschillen zelfs aan de bladeren van een en dezelfde plant.
De bloemen hebben een vierbladig bloemdek. De bloemdekbladen zijn groenig, lichtgeel en vliezig van kleur. Deze bloemdekbladen zijn maar een paar mm groot en enigszins driehoekig van vorm. Ze vallen vrij snel na het openen af. Voor elk bloemdekblad staat een bundel van vier meeldraden. Het aantal meeldraden bedraagt meestal zestien. Bovenstandige vruchtbeginsels hebben een stijl met stempel. Dit ziet er wat knobbelig uit. De bloemen hangen naar beneden en omdat de helmknoppen aan lange helmdraden hangen steken de helmknoppen ver onder het bloemdek uit. De bloemen hebben daardoor een wel heel eigen karakter.
De bloemen worden wel bezocht door vliegen, die steefmeel eten en ook wel stuifmeel of pollen verspreiden. Maar windbestuiving is ook geconstateerd. Na bevruchting groeit het stamperhoofdje van geribde vruchtbeginsels uit tot geribde nootjes. In het vruchtstadium gaan de voormalige bloemen meer rechtop staan.
De planten kunnen van locatie tot locatie nogal verschillen; het is een veelvormige soort die groter kan zijn dan zijn forse soortgenoot Poelruit.
MM_260810
Het areaal van Kleine ruit zijn de gematigde streken van Europa, Azië en Afrika. Ze heeft een veelvormig voorkomen en als je d eplant aantreft staat ze er meestal volop maar is dan een kloon. Het areaal is daardoor nogal verbrokkeld en weinig aaneensluitend.
Kleine ruit is een kensoort van de Associatie van Sikkelklaver en Zachte haver (14Bc2 resp. r14Bc2). Deze plantengemeenschap wordt beschreven in de bijdrage van Karlè Sykora in de rubriek Rivierduingrasland.
Meer informatie over de ecologie van Kleine ruit en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (1985) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 255-257.
Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 261. Of met de nieuwste druk van deze flora: Duistermaat, H(Leni). (2020) Heukels' Flora van Nederland, 24ste druk: 320.
Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 471.
Cappers, R.T.J., Bekker, R.M. en Feddema, D. (2023) Digital Diaspore Atlas of the Netherlands. Seeds, Fruits and Anthocarps. # 560.
Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Thalíctrum mínus