Groene naaldaar - Setaria viridis

Aan de aarpluim, die breder is dan de aar van Timoteegras of Vossenstaart, en die bezet is met opvallend lange borstels of naalden herken je de Groene naaldaar. De kleur van de borstels is wit tot groen. Het gras is te vinden op ruderale plekken in de bebouwde kom, bijvoorbeeld in aanplantingen, verder in bermen , moestuinen en op akkers. Groene naaldaar kan losse zoden vormen.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart

Naast de Kransnaaldaar komt een tweede soort uit dit geslacht Naaldaar of Setaria steeds meer voor op bemeste akkers, in moestuinen, wegbermen en op ruderale plekken ook in onze steden. Het is de Groene naaldaar, Setaria viridis uit de Grassenfamilie of Poaceae.

Dit gras valt tijdens de bloei in de hoogzomer op door zijn typische aarpluim die kort gesteelde aartjes met een flink aantal twee tot driemaal zo lange naaldvormige borstels of haren heeft. De aarpluim is daardoor cilindrisch van vorm en lijkt in de verte wel iets op een opgezwollen aar van Timoteegras, dat wat eerder bloeit.

De aartjes staan in groepen met zo'n 5 aartjes bijeen op een zijas. De aartjes hebben één kelkkafje dat ongeveer half zo lang is als het hele aartje, terwijl het andere erg kort is. Daarbij moeten we nog bedenken dat een heel aartje ook maar 2-2,5 mm groot is. De grasbloemen steken kleine witte stempels naar buiten en ook de helmhokken, die zwart van kleur zijn, zijn erg klein. Meest opvallend is de plaatsing van de aartjesgroepen in de aarpluim. In tegenstelling tot bij de Kransnaaldaar, waar in de bovenste tweederde tot driekwart van de aarpluim de aartjesgroepen dicht op elkaar, maar in het onderste kwart tot een derde van de aarpluim de aaras strekt waardoor de groepjes aartjes los van elkaar komen te staan, blijft bij de Groene naaldaar het gedeelte waarin de aartjesgroepen wat verder van elkaar staan een stuk kleiner. De as van de aarpluim is bezet met haren die in lengte variëren tot 2,5 mm. Ze staan ongeveer horizontaal af van de as van de aarpluim of zijn een beetje schuin naar boven gericht (foto 6259). Onder een groepje aartjes bevindt zich een behoorlijk aantal tot wel 7 lange naaldvormige borstels.

De plant groeit in losse pollen en de scheuten zijn nauwelijks liggend en verder rechtopstaand, waardoor het gras tamelijk hoog kan worden. De schedes zitten rond aangesloten tegen de stengel van de grasplant en de bladschijf is vlak zonder de duidelijke vouw die je bij de Kransnaaldaar vindt. Hooguit is er een donkere strook in het midden van het blad te zien. Op de overgang van bladschede naar bladschijf staat een harig tongetje, maar verder zijn de schede en de bladschijf vrijwel kaal en zonder haren. De rand van de lijnvormige, vlakke bladeren is gaaf; soms kan die rand gekroesd zijn of wat ruw aanvoelen.

De borstels in de bloeiwijze verdienen ook de nodige aandacht. Er staan er meestal zo'n twee tot zeven vanaf de basis van elk aartje. Ze zijn 2-3 x zo lang als een aartje, verschillend van lengte en de kleur van deze naaldvormige borstels is wit tot groen; er is geen kleurverloop bij deze borstels, zoals we dat kennen van de Kransnaaldaar. De borstels zijn bezet met kleine weerhaakjes, die naar voren wijzen en niet terug. Om al deze details goed te kunnen zien moet je een loep gebruiken.

MM_141209

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Grassenfamilie - Poaceae
Plantengeslacht:
Naaldaar - Setaria
Plantvorm:
gras
Plantgrootte:
0.25 - 1.50 meter
Bloeiperiode:
Juli - September
Bloemkleur:
groen
Bloeiwijze:
aar
Bloemvorm:
grasbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
2 kelkkafje, 2 kroonkafje
Meeldraden:
3 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
2
Stempels:
2
Vrucht:
graanvrucht of korrel
Zaden:
-
Stengels:
geribd of geribbeld, rechtopstaand
Schors:
-
Bladstanden:
in twee rijen, in losse pollen
Bladvorm:
lijnvormig
Bladranden:
gaaf, gegolfd, ruw
Ondergronds delen:
bijwortelstelsel
Plantengemeenschappen:

Net als de andere Naaldaren is de Groene naaldaar een cultuurvolger en daardoor een kosmopolitische soort van de gematigde streken geworden. In de Benelux komt ze voor sinds de IJzertijd. Ze is redelijk algemeen, maar op venige bodem komt ze minder voor. Wel is deze soort al op de Waddeneilanden te vinden. Opmerkelijk is dat de soort daar voorkomt waar relatief droge zomers heersen met vanaf begin mei tot half oktober een neerslag die niet meer dan 350 mm bedraagt. Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland. beschrijft Groene naaldaar als een kensoort van

30Bb Verbond van Vingergras en Naaldaar

30Bb1 Associatie van Gele ganzenbloem

De plantensoort 'Groene naaldaar' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Naaldaren behoren tot de groep van Gierstachtige grassen. Dit zijn C-4 planten. Ze kunnen daardoor een snelle ontwikkeling doormaken. Na het kiemen in de voorzomer kunnen ze binnen anderhalve maand tot vruchtzetting komen. Uitgebreide informatie over C-4 planten vind je bij de Geelrode naaldaar.

Nog meer informatie over de ecologie van de Groene naaldaar en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 224.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 243.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 269.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Setária víridis.