Duitse brem is een dwergstruik die gele vlinderbloemen heeft. De kiel van de bloem is veel langer dan de vlag die rechtop staat of zelfs naar achteren is gebogen. De groene twijgen, bladeren kelken en ook de kronen zijn behaard met zachte haren. De planten hebben rechte doorns, die soms zelfs uit een grote en een kleine doorn bestaan.
Naast algemeen voorkomende Brem kennen we in de Vlinderbloemenfamilie, of Fabaceae, nog een aantal soorten die enige gelijkenis met Brem hebben. Ze behoren tot het geslacht Genista of Heidebrem, waaronder de zeldzame Duitse brem, Genista germanica L..
De dwergstruik Duitse brem heeft een forse penwortel en een liggend stammetje. Aan de zijwortels tref je wortelknolletjes aan, waarin Rhizobium bacteriën in symbiose leven met de wortelcellen.
Uit het liggend stammetjes komen de omhoogstekende takken en twijgen te voorschijn. Aan de takken zitten rechte scherpe en puntige doorns, die langer zijn dan een halve cm. Ze ontstaan uit zijtakjes en zijn soms gedeeld. De twijgen zijn aanvankelijk groen, maar verhouten na enige tijd. Op de takken en twijgen zie je op lijsten lijkende lengtestrepen.
De bladeren zijn elliptisch en toegespitst en hebben nauwelijks een steel; ook steunblaadjes zijn nauwelijks te onderscheiden. De bladeren kunnen afstaan ten opzichte van de twijgen wat erop duidt dat er een soort scharniertje onder aan de bladschijf zit. Dat zou erop kunnen duiden dat we eigenlijk met een gereduceerd veerdelig blad te doen hebben met slechts één deelblaadje! Twijgen en bladeren zijn sterk behaard, waarbij de haren aan de bladonderzijde schuin afstaan.
Aan het eind van de takken zitten de bloeiwijzen. Onder elke bloem zit een piepklein schutblad en steelblaadjes ontbreken aan de bloemsteel, waardoor de bloemtrossen bladloos overkomen. Duitse brem bloeit in mei en juni.
Aan de bloemen valt de vijftandige behaarde kelk op. De goudgele kronen zijn ook behaard en hebben een duidelijk erg korte vlag in vergelijking met de kiel. De 10 meeldraden zijn alle tien met elkaar vergroeid, er is dus geen aparte vrije meeldraad, zoals we bij veel andere nectarproducerende plantensoorten uit de Vlinderbloemenfamilie aantreffen. Duitse brem produceert dan ook geen nectar en wordt bestoven door pollenverzamelende bijen. Als een bij een bloem bezocht heeft is vrijwel alle stuifmeel (of pollen) weggehaald. Toch neemt die bij nog genoeg los pollen mee op zijn lijf om, bij een volgend bloembezoek, een stempel van die volgende bloem te bestuiven. De vruchten zijn peulen.
MM_260804
Het areaal van Duitse brem is het midden en oosten van Europa en onze contreien liggen aan de uiterste westrand van het verspreidingsgebied. De plant is dan ook zeldzaam en aan te treffen in een enkele zoom. Onze beelden hebben we gemaakt in het Aostadal, in het westen van het middeneuropese verspreidingsgebied.
De bestuiving geschiedt door het zogenaamde 'klapstoelmechanisme'. Hierbij drukt de bezoeker van de bloem, een bij of hommel, met z'n poten de twee zwaarden naar beneden, waardoor de twee aan de onderzijde vergroeide kielbladen aan de bovenzijde open splijten. Omdat de bloemen protandrisch, dus eerst mannelijk bloeiend, zijn zal bij een eerste bezoek de bezoeker pollen kunnen verzamelen uit de rijpe en openstaande pollenhokjes van de tien meeldraden. Behalve dat de bezoeker pollen verzamelt zal een deel onder tegen de buik terechtkomen. Bij een bezoek aan een volgende bloem, die dan wellicht al in het latere vrouwelijk stadium verkeert met een ontvankelijke stempel, wordt pollen van de buik van de bezoeker afgeveegd door het stempel. Dan kan er bevruchting plaatsvinden.
Uitgebreidere informatie over de ecologie van Duitse brem en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 115
Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 358. Of met de nieuwste druk van deze flora: Duistermaat, H(Leni). (2020) Heukels' Flora van Nederland, 24ste druk: 337.
Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 755.
Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Genísta germánica