Boszegge - Carex sylvatica

Een tot een meter hoog wordende Zeggesoort, die voorkomt in loofbossen met lemige bodem is de Boszegge. De planten overwinteren met hun groenblijvende pollen en maken in het voorjaar nieuwe bloeistengels waaraan meestal de bovenste aar alleen mannelijke bloemen heeft en de andere aren allemaal vrouwelijk bloemen hebben. De onderste aar kan sierlijk naar beneden hangen. De urntjes in de vrouwelijke bloemen hebben een lange smalle snavel met twee duidelijke tanden.

Een zeggesoort die we kunnen vinden in loofbossen op lemige en kalkhoudende grond in Zuid-Limburg en ook wel op wat plekken in het rivierengebied is de Boszegge, Carex sylvatica Huds., uit de Cyperaceae of Cypergrassenfamilie.

Zoals alle Zeggesoorten is ook de Boszegge meerjarig. De planten vormen dichte zoden en zijn dan ook het hele jaar zichtbaar, ze overwinteren op die wijze en hebben ondergronds wortelstokken. In het vroege voorjaar komen uit deze zoden de frisse lange bloeistelen. Ze zijn driekantig, maar niet zo scherp als we kennen van de Scherpe zegge. De bladeren staan in drie rijen om de stengels ingeplant. De bladschedes en de langwerpige, lijnvormige bladschijven zijn onbehaard. De bladschijf is ongeveer een halve cm breed en ruw langs de bladranden, behalve dicht bij de bladvoet. De schedes van de bovenste bladeren zijn uitgerand aan de zijde tegenover de kant waar de bladschijf zich bevindt. Er zijn dus geen vliezige aanhangsels. Wel is er een cladoprophyllum, een smal, vliezig randje op de overgang van bladschede naar bladschijf te zien.

Bovenin de bloeistengels staan meerdere aren met mannelijk of vrouwelijk bloeiende cypergrasbloemen. De kafjes van de cypergrasbloemen zijn stomp tot toegespitst. De onderste vrouwelijk bloeiende aar buigt naar beneden toe. Het geeft de bloeiwijze een sierlijk uiterlijk. 

De planten worden tot zo'n meter hoog en tijdens de bloei zie je dat het onderste schutblad van de bloeiwijze niet langer is dan de gehele bloeiwijze. In de bloeiwijze staat bovenin een enkele aar met mannelijk bloeiende bloemen. Een heel enkele keer vind je nog een tweede kleine mannelijk bloeiende aar. Het is daarom aan te bevelen om meerdere exemplaren te bekijken, omdat juist het feit dat er meestal maar één mannelijk bloeiende aar is de soort onderscheidt van andere Zeggesoorten. In de vrouwelijk bloeiende aren staan de bloemen nogal los van elkaar op de aaras ingeplant, in ieder geval niet heel dicht op elkaar. De breedte van deze aren is 3 tot 4 mm bij een lengte die kan variëren van 3 tot 6 cm. De urntjes van de vrouwelijke bloemen hebben twee duidelijke nerven. Ze zijn aanvankelijk donkergroen van kleur en kleuren later naar bruin; ze zijn onbehaard. De urntjes zijn tamelijk groot tot een halve cm. De snavel is lang tot 1/3 van het hele urntje en daarbij duidelijk twee-tandig. De tanden van de snavel zijn aan de binnenkant glad. Om dat goed te kunnen zien, moet je wel een loep gebruiken. Een goed kenmerk is ook dat de stelen van de vrouwelijke aren ruw aanvoelen.

MM_190410

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Cypergrassenfamilie - Cyperaceae
Plantengeslacht:
Zegge - Carex
Plantvorm:
gras
Plantgrootte:
0.25 - 1.00 meter
Bloeiperiode:
Mei - Juni
Bloemkleuren:
bruin, groen
Bloeiwijze:
aar
Bloemvorm:
cypergrassenbloem
Bloemtype:
eenslachtig
Bloembladen:
-
Meeldraden:
-
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
-
Stempels:
3
Vrucht:
nootje
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, driekantig
Schors:
-
Bladstanden:
in drie rijen, in dichte pollen
Bladvormen:
lijnvormig, langwerpig
Bladrand:
ruw
Ondergronds deel:
rhizoom/ wortelstok
Plantengemeenschappen:

Areaal: Europa behalve het verdere noorden. Eveneens in Klein Azië. In onze contreien in loofbossen en de randen daarvan op lemige en kleiige bodem, zoals in het zuiden van Limburg en de aangrenzende gebieden in België. verder ook op een klein aantal plaatsen in het rivierengebied en op de stuwwallen in de omgeving van Nijmegen. Hakhoutcultuur bevordert het voorkomen van Boszegge.

De plantensoort 'Boszegge' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De geslachtsnaam Zegge houdt verband met het Latijnse secare dat snijden betekent. De driekante stengels en de meestal scherpe bladeren hebben al heel wat snijwonden veroorzaakt. 

De naam Carex is onduidelijker en is mogelijk gevormd uit carére dat arm zijn, missen betekent en betrekking zou kunnen hebben op de arme grond die vaak als groeiplaats dient.

De soortnaam sylvatica betekent zoveel als 'voorkomend in het bos'.

Nog meer informatie over de ecologie van de Boszegge en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 294-296.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 158.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 248. 

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Cárex sylvática.

In het Duitse taalgebied luidt de naam Wald-Segge; Rothmaler, W. (1981) Exkursionsflora für die Gebiete der DDR und der BRD. Band 2 Gefässpflanzen, 10e druk: 529.
Met dank aan Jan van Twisk voor een aantal gegevens betreffende het voorkomen en de naam van Boszegge.