Zomerlinde, Tilia platyphyllos is een van onze oorspronkelijk inheemse Lindes. De bladeren zijn groter dan die van Winterlinde en kenmerken zich door een scheve bladvoet, doordat de twee bladhelften in grootte ten opzichte van elkaar verschillen. Hierin lijken de bladeren enigszins op die ven Iepen. De hangende bloemtuilen bevatten meestal maar 2 tot maximaal vijf lichtgele bloemen. De bloeiwijze wordt verder gekenmerkt door een smal schutblad dat over een behoorlijke lengte is vergroeid met de bloeiwijzesteel.
Zomerlinde, Tilia platyphyllos Scop., hoort tot de Kaasjeskruidfamilie, of Malvaceae. Van nature komen er twee Lindensoorten in ons land voor. De Zomerlinde en de Winterlinde. Het meeste komt echter de Hollandse linde, Tília x europaea L. voor. Het is een kruising van beide wilde soorten, die veel is aangeplant.
Zeer kenmerkend aan alle Linden is het veernervig blad dat min of meer rond is en spits toeloopt. De bladrand is gezaagd. De middennerf heeft zijnerven van de tweede orde en deze weer zijnerven van de derde orde. Deze laatste vormen een zeer kenmerkend ladderpatroon. De twee bladhelften zijn ongelijk van vorm, wat resulteert in een scheve bladvoet. Aan de onderzijde zie je verder in de nerfoksels toefjes van haren. Bij de Zomerlinde zijn ze wit van kleur en bij de twee andere soorten roodbruin tot rossig.
De bloeiwijze komt te voorschijn uit bladokselknoppen en bestaat uit een aantal hangende gele bloemetjes. Het aantal varieert van 2-5 bij de Zomerlinde; 5-12 bij de Winterlinde en 3-7 bij de Hollandse linde. Ze verspreiden een sterke zoet-weeïge geur waar veel insecten op afkomen. Deze dragen zorg voor de verspreiding van het pollen. Maar ook wordt pollen afgegeven aan de lucht, zodat er windbestuiving kan plaatsvinden. Dat pollen is zeer weinig allergeen, maar er zijn mensen die zeer gevoelig kunnen zijn voor bloeiende Lindes. Of dat door het pollen of de geur veroorzaakt wordt is nog een vraag. Bij de uitgroei van de vruchtbeginsels tot vruchten wordt de naam van het schutblad tot vruchtblad. Na rijping dwarrelen de vruchten samen met het vruchtblad naar beneden.
De vrucht heeft een aantal kenmerkende ribben over de vruchthuid lopen, die ook goed op dwarse doorsnee te zien zijn. Het zaadje in zo'n vrucht of nootje heeft een stevige wat houtige zaadhuid.
Je vindt op de Linde veel beestjes. Met name bladluizen voeden zich met het zoete sap uit de bladeren van de linde. Vaak worden deze bladluizen door mieren gemolken. Maar veel sap valt ook in druppeltjes naar beneden. Lieveheersbeestjes zijn de natuurlijke vijanden van de bladluizen en eten deze op. Ook vind je vaak gallen op de bladeren die een reactie zijn van het bladweefsel op een eitje dat door een klein insect, meestal een galwesp, in het blad is gelegd.
MM_101201
Areaal
3000 jaar geleden, na de laatste IJstijd zijn de Linden weer teruggekeerd als onderdeel van de natuurlijke bossen in ons land. Resten van deze Lindenbossen zijn tot het midden van de 11 eeuw aangetroffen in midden Limburg waar twee oude dorpen hun naam danken aan de linde: Linne en Limbricht. Sinds de middeleeuwen worden Linden vooral veel aangeplant in lanen en parken of als solitaire boom. Bekend is de Linde op het marktplein, waar vaak ook recht gesproken werd. Zo n oude solitaire Linde staat in Sambeek, hij is meer dan 500 jaar oud en mogelijk de oudste nog bestaande boom in Nederland.
Heiligenbeelden
Lindenhout is zacht en gemakkelijk te bewerken. Veel prachtige, oude beelden zijn uit Lindehout gesneden en ook nu nog wordt Lindehout veel gebruikt door beeldsnijders. Jan van Steffensweert is een beroemde snijder van heiligenbeelden rond het jaar 1500 geweest. Hij had zelfs een beeldenfabriek waar aan een soort lopende band beelden werden gefabriceerd.
Naamgeving
Zomerlinde werd ook wel Grootbladige linde genoemd in oudere flora's. Deze naam komt dicht bij de wetenschappelijke naam 'platyphyllos' in de buurt. Dit betekent immers zoveel als 'breed blad'.
Uitgebreidere informatie over de ecologie van Zomerlinde en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 180.
Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 440. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 457.
Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 564. In deze flora luidt de Nederlandse naam Grootbladige linde.
Maes, B.(2013): Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Boom – Amsterdam. pp. 310-315.
Uitspraakaccenten wetenschappelijke naam: Tília platyphýllos