Kruipend stalkruid - Ononis repens s. repens

Nauw verwant aan Kattendoorn is Kruipend stalkruid, Ononis repens L. subsp. repens. Deze soort blijft echter tegen de grond gedrukt en heeft dus geen opstijgende stengels. Ook mist Kruipend stalkruid de stekelige doorns, die aan Katendoorn zo kenmerkend zijn. Het is een mattenvormer onder meer op dijkhellingen.

Het geslacht Stalkruid, Ononis, heeft een vertegenwoordiger met twee ondersoorten. Kruipend stalkruid, Ononis repens L. subsp. repens, uit de Vlinderbloemenfamilie is de ondersoort die veel op een dwergstruik lijkt met liggende takken, waaraan geen doorns, of slechts zwak ontwikkelde alleenstaande doorns te vinden zijn. Dit onderscheidt Kruipend stalkruid van de andere ondersoort Kattendoorn.

De jonge takken van kruipend stalkruid zijn rondom behaard, niet in twee rijen zoals bij Kattendoorn. De jonge takken blijven liggen op de bodem en verhouten wel in de loop van het groeiseizoen, waardoor de plantensoort wat heeft van een dwergstruik. Maar, net als bij Kattendoorn, sterven ook deze verhoute stengels in het winterseizoen.

De drietallige bladeren zijn stomp aan de top en hebben veel klierharen die dicht op elkaar staan.

De bloemen staan meestal alleen in de oksels van de bladeren; maar een enkele keer vind je wel twee bloemen bij elkaar staan. Ze hebben kroonbladen die rozerood van kleur zijn en vaak ook wat wit hebben. De rechtopstaande vlag is groot en rond van vorm. De tien meeldraden die binnen de kiel opgeborgen zijn zijn alle vergroeid tot een buis. De bloemen worden bezocht door hommels en grote bijen. Deze verzamelen pollen dat via een ingenieus pompmechanisme uit de rijpe helmhokken wordt geperst. De insecten nemen ook pollen mee dat ze bij een bezoek aan een volgende bloem weer afwrijven tegen de stempels. Na bevruchting groeit de peulvrucht uit tot een lengte van 5-7 mm en is daarmee kleiner dan die van Kattendoorn. De vrucht is ook korter dan de kelk en de tanden van de kerk reiken dan ook tot voorbij de vrucht.

Kruipend stalkruid kan echte matten vormen bijvoorbeeld op de Zuidlimburgse kalkhellingen maar ook in duinvalleien.

MM_1230304

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Vlinderbloemenfamilie - Fabaceae
Plantengeslacht:
Stalkruid - Ononis
Plantvorm:
dwergstruik
Plantgrootte:
0.10 - 0.30 meter
Bloeiperiode:
Juni - September
Bloemkleuren:
wit, rood, roze
Bloeiwijze:
alleenstaande bloem
Bloemvormen:
vlinderbloemtype, tweezijdig symmetrisch
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelktanden, 5 kroonbladen
Meeldraden:
10 vergroeid met elkaar
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
peulvrucht of boon
Zaden:
-
Stengels:
behaard, liggend
Schors:
bruin
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
drietallig, oneven geveerd
Bladrand:
getand
Ondergronds delen:
wortelknollen (met )
Plantengemeenschappen:

Kruipend stalkruid heeft een verspreidingsgebied dat zich uitstrekt over West-, Midden- en Zuid-Europa. Ook langs de Oostzee, in de Balkan en in het gebied van het Atlasgebergte in Noord-Afrika komt de soort voor. De plant groeit op droge zonnige plekken. Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland beschrijven Kruipend stalkruid als een soort uit

12Ba4 Associatie van Kattendoorn en Zilte zegge

14 Klasse der Droge graslanden op zandgrond

De plantensoort 'Kruipend stalkruid' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Bij de planten van Kruipend stalkruid die in het Rijngebied met Duitsland voorkomen en in Zuid- Limburg valt op dat ze wel wat meer gedoornd zijn. Mogelijk dat hier sprake is van inkruising vanuit Kattendoorn (Weeda, E.J.,, 1987).

Uitgebreidere informatie over de ecologie van XX en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 132.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 366.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 756.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Onónis répens L. subsp. répens