Video Determinatie

Blauw glidkruid - Scutellaria galericulata

Tussen de vegetatie langs waterkanten kun je planten vinden van Blauw glidkruid, Scutellaria galericulata. Maar je moet wel een beetje geluk hebben en de blauwe bloemen zien. Immers de planten zijn kleiner dan de hoog opgaande andere planten uit de vegetatie en de bloeiwijzen bestaan niet uit schijnkransen met veel bloemen, maar uit slechts alleenstaande bloemen in de oksel van de tegenoverstaande schutbladeren. Er staan steeds twee bloemen links en rechts van de stengel bij elkaar met hun kroon in dezelfde richting. De blauwe kronen hebben op de onderlip een witte vlek en ze zijn sterk behaard.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een niet zo opvallende plant uit de Lipbloemenfamilie is Blauw glidkruid, Scutellaria galericulata L..

Hoewel het onmiskenbaar een plant uit de Lipbloemenfamilie is, herkenbaar aan de vierkante stengel en de lipbloemen, is de bloeiwijze duidelijk afwijkend: het is geen schijnkrans, maar steeds staan er twee bloemen ieder in de oksel van een schutblad. Ze staan naast elkaar links en rechts van de stengel en wijzen in de zelfde richting. Dat laatste heeft Glidkruid gemeenschappelijk met een soort als Hengel. Ook de kelk is nogal afwijkend van de meeste andere bloemen van soorten uit de Lipbloemenfamilie: de kelk is niet vijftandig, maar lijkt aanvankelijk recht afgesneden met twee kleine inkepingen. Later groeit deze kelk uit tot een tweelippige vruchtkelk. Tenslotte is er nog een eigenaardige kammetje of schildje te zien op de bovenste helft van de kelk. Naar dit schildje is de wetenschappelijke geslachtsnaam Scutellaria vastgelegd door Linnaeus. Dit betekent letterlijk uit het Latijn vertaald: klein schild of schildje.

De planten zijn tamelijk laag tot middelhoog, maximaal zo'n 50 cm. Meestal is de stengel onvertakt, maar soms vind je ook wel bossig vertakte exemplaren. Het ondergrondse wortelstelsel is ondiep, maar heeft wel uitlopers. Aan de vierkante stengels staan de driehoekig-langwerpige bladeren kruisgewijs tegenover elkaar. Ze hebben een gekartelde bladrand en de kartels zijn enigszins naar voren (naar de top van het blad) gericht. De steel is maar heel kort en de voet zwak hartvormig.

Doordat er geen opvallende schijnkransen zijn met veel bloemen, vallen de planten in het algemeen niet erg op in de vaak weelderige vegetatie waarin ze staan. De bloemen staan alleen in de oksel van de schutbladeren die erg veel lijken op de gewone bladeren. De blauwe tot blauwpaarse kronen zijn sterk behaard. De kroonbuis buigt boven de kelk naar boven en de lippen van de kroon zijn zodanig gebogen dat de ingang van de bloem nogal afgesloten is. We noemen zo'n tamelijk gesloten bloemkroon een gemaskerde bloemkroon. Op de onderlip vind je een witte vlek die als honingmerk dient. Nadat de bestuiving heeft plaatsgevonden ontwikkelt het bovenstandig vruchtbeginsel tot een doosvrucht. De kroon valt af terwijl de kelk uitgroeit. Deze blijkt dan duidelijk tweelippig. Als er een regendruppel op of in de kelk valt worden de nootjes, die op een steeltje staan weggeschoten. Of het schildje op de bovenlip van de kelk hierbij een rol vervult en welke dan, is nog steeds niet duidelijk.

MM_140706

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Lipbloemenfamilie - Lamiaceae
Plantengeslacht:
Glidkruid - Scutellaria
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.20 - 0.45 meter
Bloeiperiode:
Mei - Augustus
Bloemkleuren:
wit, blauw
Bloeiwijze:
alleenstaande bloem
Bloemvormen:
tweezijdig symmetrisch, lipbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
2 vergroeide kelkbladen, 5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
4 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, vierkantig, behaard, hol
Schors:
-
Bladstand:
tegenoverstaand en kruisgewijs
Bladvormen:
driehoekig, langwerpig
Bladrand:
gekarteld
Ondergronds delen:
rhizoom/ wortelstok
Plantengemeenschappen:

Het areaal van Blauw glidkruid omvat de gematigde en koudere streken van het noordelijk halfrond. Het is een tamelijk algemeen voorkomende soort, maar op zeeklei, hooggelegen voedselarme zandgrond en in de löss- en krijtgebieden is het tamelijk zeldzaam. De plant staat op zonnige tot matig beschaduwde plaatsen, waarbij de grond humusrijk tot venig, tamelijk nat en stikstofrijk mag zijn. Het kan uitstekend gedijen als in de winter de waterstand zo hoog is dat het maaiveld nat is, maar zomerse overspoeling verdraagt de soort niet. Een geschikte groeiplaats blijkt ook de kop van geknotte wilgen te zijn.

De plantensoort 'Blauw glidkruid' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De meest geliefde groeiplaats van Blauw glidkruid is de waterkant bijvoorbeeld aan weilandsloten.Op rottende palen van houten beschoeiingen en ook wel op sluismuren kan de soort zich struikachtig ontplooien. Ook op drijftillen komt de soort welig voor.

Als algemeen kenmerk leren we bij de Lipbloemenfamilie dat de vergroeide kelk vijf kelktanden heeft. Bij deze soort echter vind je deze vijf kelktanden niet. Hier zijn de kelktanden wel vergroeid, maar ook nog eens anders van vorm geworden, waardoor we kunnen spreken van een tweelippige kelk. Deze heeft dan ook nog op de bovenlip het zogenaamde schildje. Hoe dit evolutionair precies in elkaar steekt is nog steeds de vraag.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Scutellária galericuláta.

Voor meer uitgebreide informatie over de relaties met andere organismen, het milieu en de ecologie van Blauw glidkruid verwijzen wij naar Weeda, E.J. et al., (1988) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 3: 151-152.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 500.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 903, 904 en 927.