Winterjasmijn bloeit in de winterperiode en kondigt met zijn gele bloemen net als Forsythia aan dat de natuur weer opnieuw tot leven komt. Op de groene takken staan de bloemen te pronken. Het blad verschijnt pas veel later als de bloei grotendeels voorbij is. Oude takken kleuren grijs. Door zogenaamde afleggers kan Winterjasmijn zich goed uitbreiden en bezet dan muren en schuttingen.
Een struik, die als aankondiger van de lente wordt gezien en die veel in tuinen en parken wordt aangeplant is Winterjasmijn, Jasminum nudiflorum Lindl., uit de Olijfboomfamilie of Oleacea. De soort heeft de 'winterbloei' enigszins gemeenschappelijk met Forsythia uit dezelfde familie die eveneens aan het eind van de winter tuinen siert met zijn gele bloemenpracht.
Op het wortelstelsel ontwikkelt Winterjasmijn een aantal takken die sterk vertakken waardoor de plant vaak tegen muren of schuttingen een fraaie begroeiing vormt die zich ook gemakkelijk zo laat snoeien. Oudere takken hebben een grijze schors en jonge takken zijn groen van kleur. Ze zijn vierkant op doorsnede. Voordat er bladeren aan de struik komen gaat hij bloeien en uit de bloemknoppen ontstaan alleenstaande bloemen. De bladeren die dus pas na de bloei verschijnen staan tegenover elkaar. Ze zijn driedelig en de deelblaadjes zijn langwerpig tot eirond en hebben een gave bladrand.
De alleenstaande bloemen hebben een uit kleine blaadjes bestaande meerbladige kelk; tot wel acht kelkblaadjes. De bloemkroon bestaat uit 5, meestal 6 vergroeide gele kroonbladen die een buis vormen van wel één cm of iets meer. De kroonbladen eindigen in cirkelronde slippen die elkaar gedeeltelijk overlappen en die enigszins vlak naar buiten stralen, waardoor de bloem ook wel trompetvormig genaamd mag worden. De twee meeldraden staan op de kroon ingeplant en bestaan eigenlijk alleen uit helmknoppen die iets donkerder geel afsteken tegen het geel van de kroonbuis. Binnen de kroonbuis is de kleur oranjegeel. Het bovenstandig vruchtbeginsel heeft een stijl en een stempel dat tweedelig is.
Of er bevruchting en zaadvorming optreedt is onduidelijk.
MM_260202
Van oorsprong komt Winterjasmijn uit het westen van China, maar is thans ook in Europa een graag geziene tuin- of parkplant en wordt hij veel aangeplant. Vooral de vroege bloei, soms al in de late herfst en gedurende de wintermaanden maakt hem heel populair. In onze wilde inheemse flora komt de soort weinig voor.
Een interessante eigenschap van Winterjasmijn is dat wanneer toppen van naar beneden hangende takken de bodem bereiken, deze toppen wortelen en een nieuwe plant geven. We noemen dat afleggers. Op deze manier kan de Winterjasmijn zijn begroeiing gemakkelijk uitbreiden bijvoorbeeld langs muren of schuttingen waar hij is aangeplant.
Voor meer uitgebreide informatie over de relaties met andere organismen, het milieu en de ecologie van soorten uit de Essenfamilie waartoe Winterjasmijn behoort, verwijzen wij naar Weeda, E.J. et al., (1988) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 3: 77.
Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 490. Of met de nieuwste druk van deze flora: Duistermaat, H(Leni). (2020) Heukels' Flora van Nederland, 24ste druk: 632.
Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 946.
Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Jasmínum núdiflorum