Pijpbloem - Aristolochia clematitis

Een door zijn bloemen heel opvallende plantensoort is Pijpbloem, Aristolochia clematitis. De gele bloemen staan met een aantal bij elkaar in de oksel van een blad. Ze staan schuin naar boven. Hun vorm is heel typisch. Ze zijn smal buisvormig met onderin een bolvormige verbreding en naar boven toe een trompetvormig bloemblad. De bloem is een zogenaamde valbloem: kleine vliegjes vliegen tegen het naar boven staande bloemblad en vallen in de bloem. De bladeren zijn groot, driehoekig en met een hartvormige voet.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een heden ten dage in onze wilde flora minder voorkomende plantensoort dan in vroeger dagen is de meerjarige Pijpbloem, Aristolochia clematitis L., uit de Pijpbloemfamilie of Aristolochiaceae. Vroeger werden de planten vanwege het medicinale gebruik dat ervan werd gemaakt wel gekweekt.

Ondergronds hebben de planten een grote wortelstok die zich flink kan uitbreiden waardoor er vaak een groot aantal planten bovengronds te zien is. Deze zijn meestal met dezelfde wortelstok verbonden en vormen derhalve een kloon van eigenlijk een en dezelfde plant. Op deze wortelstok staan diverse rechtopstaande stengels, die een beetje zig-zag gebogen zijn. Ze zijn rond en geribbeld.

Aan die stengels staan de grote lichtgroene bladeren verspreid. Deze bladeren zijn ook heel typisch van vorm. Ze zijn driehoekig en hebben een duidelijk hartvormige voet met vrij grote lobben, soms zo sterk dat de lobben richting bladsteel wijzen. De top van de bladeren is iets spits. De nervatuur is opvallend pregnant.

Een aantal bloemen staat bij elkaar in de oksels van de bladeren. De bloeiwijze lijkt daardoor een bundel of schermvormige tros. De bloemen zijn zestallig en hebben een vergroeid bloemdek. Op een onderstandig vruchtbeginsel is een kom gevormd waarbinnen de stijl en de zes helmknoppen met elkaar vergroeid staan. Boven deze helmknoppen staat een zesdelige stempel. Naar boven toe staat de vergroeide bloemkroon die naar boven uitloopt in een soort open trompet die naar boven uitloopt. In de kroonbuis staat een aantal haren. Als nu kleine vliegjes tegen die omhoogstaande kroon vliegen vallen ze naar beneden door de smalle buis en langs de haren. Door die haren kunnen de vliegjes niet ontsnappen en zitten ze vast totdat de helmknoppen zich geopend hebben en stuifmeel over de vliegjes hebben gestrooid. Dan verwelken de haren en kunnen de vliegjes ontsnappen. Komen ze dan in een volgende bloem, vallen naar beneden en bestuiven dan met het meegebrachte stuifmeel de ontvankelijke stempels. Na bestuiving gaan daarna de helmknoppen open en herhaalt zich het hele proces. Als er bevruchting optreedt van het vruchtbeginsel groeit dit uit tot een doosvrucht. Tegelijkertijd buigt de eerst schuin naar bovenstaande bloem om naar beneden. 

Veel succes heeft deze bestuiving echter niet, omdat de planten in elkaars nabijheid genetisch identiek zijn, immers een kloon. Er moet al stuifmeel van planten van een andere kloon zijn om kruisbevruchting te krijgen. Uitbreiding vindt vooral ondergronds plaats via de wortelstokken die sterk kunnen uitgroeien. Ook de verspreiding gaat vegetatief bijvoorbeeld doordat grond met stukken wortelstok verplaatst wordt.

MM_210210

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Plantengeslacht:
Aristolochia - Aristolochia
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.15 - 1.00 meter
Bloeiperiode:
Bloemkleur:
lichtgeel
Bloeiwijzen:
schermvormige tros, tros
Bloemvormen:
tweezijdig symmetrisch, buisvormig, trompetvormig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
6 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
6 in bundels
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
1
Stempels:
6
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengels:
geribd of geribbeld, rechtopstaand
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
hartvormig, driehoekig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds deel:
vertakte wortelstokken
Plantengemeenschappen:

Het oorspronkelijk verspreidingsgebied of areaal van de Pijpbloem is het gebied rond de Middellandse en Zwarte Zee. De soort is al zeer lang in gebruik in de artsenij en via deze menselijke activiteit over een groter gebied verspreid geraakt, waardoor de soort nu ook in grote delen van West-Europa is te vinden. We vinden hem nu nog vooral in de binnenduinen en rivierdalen en ook wel rond dorpen.

De plantensoort 'Pijpbloem' komt voor in de volgende plantenassociaties:

De manier van bestuiving door vliegjes, waarbij ze tegen het omhoogstaande deel van het vergroeide bloemdek aanvliegen en dan naar beneden vallen in de kom, het is een valbloem, kennen we ook van de Gevlekte aronskelk. De vliegjes worden aangetrokken door de geur die de bloemen verspreiden; deze geur lijkt op die van aas.

Meer informatie over de ecologie van de Pijpbloem en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (1985) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 134.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 

Of met de nieuwste druk van deze flora: Duistermaat, L (2020) Heukels' Flora van Nederland, 24ste druk: 94.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 790.

Cappers, R.T.J., Bekker, R.M. en Feddema, D. (2023) Digital Diaspore Atlas of the Netherlands. Seeds, Fruits and Anthocarps. # 30.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Aristolóchia clematítis