Moerascipres kennen we in onze contreien uit parken en landgoederen, waar ze zijn aangeplant aan waterkanten. Het zijn naaldbomen die in de winter hun naalden verliezen en vroeg in het voorjaar steeds opnieuw jonge twijgen met tegenoverstaande naalden doen uitbotten. Het meest opvallend zijn hun 'knieën', luchtwortels die boven de grond op het wortelstelsel ontstaan bij wat oudere bomen. Ze dienen voor de zuurstofvoorziening van het wortelstelsel dat vaak in waterverzadigde, moerassige bodem staat.
Moerascipres, Taxodium distichum (L.)Rich. uit de Cipresfamilie of Cupressaceae, valt op door de knievormige luchtwortels of wortelknollen; ze worden ook wel ademwortels genoemd. Hij wordt aangeplant in parken en grote tuinen van bijvoorbeeld buitengoederen in de nabijheid van waterpartijen.
De behoorlijk tot wel 25 meter hoog wordende bomen staan vaak dicht bij de rand van plassen en vijvers, daar ze goed zijn aangepast aan zeer natte moerassige bodems. De truc om naar boven, boven het maaiveld uitgroeiende, wortelknollen te vormen zorgt voor de zuurstofvoorziening van het wortelstelsel dat vaak in zo een natte bodem staat dat in de bodem geen lucht kan doordringen.
De hoog reikende stam van de bomen maakt het een heel statige en daardoor sierlijke boom. In de herfst verliest de Moerascipres zijn twijgen met tegenoverstaande naaldvormige bladeren. De twijgen met rondom geplaatste in alle richtingen afstaande naalden blijven, bruin geworden, aan de boom zitten en zijn nog zichtbaar in het volgende voorjaar als de nieuwe twijgen met naalden zijn uitgelopen.
Aan de boom verschijnen twee typen voortplantingsorganen. Het ene type zijn de stuifmeel of pollen producerende katjesachtige draden die in april hun stuifmeel afgeven. Nadat ze het pollen hebben afgegeven vallen ze snel af. De andere, meer op kegeltjes lijkend, bevatten de vrouwelijke bloemen met eicellen, die na bestuiving uitgroeien tot bolvormige kegels van zo'n 2 tot 3 cm in doorsnee. Aanvankelijk kleuren deze groen. De bloemen zijn alle hele eenvoudig; in feite een schub met daarin de helmknopachtige pollenproducerende cellen of een schub met een vrijliggende stamperbloem met daarin een eicel. De uit de eicellen zich ontwikkelende zaden liggen 'naakt' binnen de schubben van de kegel. Vandaar dat deze bomen tot de Naaktzadigen behoren. De vruchten blijven enige tijd aan de boom zitten terwijl ze uitrijpen en zijn in de winter goed aan de boom te zien. Uiteindelijk vallen ze af en komen de zaden vrij uit de kegels waarvan de schubben dan uit elkaar wijken.
MM_260706
Het oorspronkelijk verspreidingsgebied van Moerascipres zijn de moerasbossen van het zuidoosten van de Verenigde Staten. De meeste bomen die wij in onze contreien tegenkomen zijn aangeplant, hoewel zaadvorming mogelijk lijkt te zijn.
Moerascipressen kunnen heel oud worden. Er is in de V.S. een exemplaar bekend van meer dan 2000 jaar oud.
Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van de nieuwste druk van: Duistermaat, H(Leni). (2020) Heukels' Flora van Nederland, 24ste druk: 89.
Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 200. In deze flora wordt Moerascypres ingedeeld in de familie der Taxodiaceae of Moerascypresfamilie.
Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Taxódium dístichum