Video Determinatie

Kleine bergsteentijm - Clinopodium calamintha

Kleine bergsteentijm, Clinopodium calamintha, is een wat bijzondere soort die je voornamelijk aantreft op ruderale bodems, zoals op spoorwegemplacementen in de grensstreek van Limburg die aansluit bij België en Duitsland. De soort heeft een struikachtig uiterlijk, vertakt zich sterk en heeft armbloemige schijnkransen met licht blauwe, roze tot licht paarse tweelippige kronen. 

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een wat zeldzamere overblijvende kruidachtige plant met niet al te grote bladeren is Kleine bergsteentijm, Clinopodium calamintha (L.) Stace uit de Lipbloemenfamilie of Lamiaceae. De plant die we hier laten zien is een wat kleine vorm van de Bergsteentijm en werd ook wel Calamintha nepeta of Saturea nepeta genoemd.

De planten van deze één- tot vaak meerjarige soort worden tot een halve meter tot hooguit 60 cm hoog. De rechtopstaande, vierkante stengels vertakken vanaf de voet boven het wortelstelsel en de planten vormen uitlopers waarmee ze een steeds groter gebied kunnen koloniseren; ook tussen andere wat hoger opschietende planten. Aan de stengels staan de eironde tot ruitvormige bladeren die een zwak gekartelde rand hebben tegenover elkaar en kruisgewijs. De bladeren worden maar zo'n 20 mm groot, waarbij de nerven vóór de bladrand naar binnen afbuigen. De rand van de relatief kleine bladeren varieert van gaaf tot met een paar tot hooguit vijf naar binnen wijzende tanden, die nauwelijks zo'n beschrijving verdienen. De bladeren zijn in ieder geval beduidend kleiner dan die van de Bergsteentijm. Ze verspreiden een geur die een beetje doet denken aan munt.

Aan de top van de stengels staan de bloeiwijzen. Deze bestaan uit weinig bloemen bevattende bijschermen. Ze lijken niet op de schijnkransen die we normaal aantreffen bij de Lipbloemenfamilie en dat komt doordat de bloemstelen nogal lang zijn. Op de vertakkingen van de bloemstelen staan kleine smalle schutbladeren. De buisvormige kelken zijn recht en hebben noch een uitdeuking noch een insnoering zoals we die zien bij de Kleine steentijm. De tanden zijn niet heel erg lang: de bovenste een halve tot één mm en de onderste 1-2 mm lang. Uit de kelkbuis van zo'n 6 mm totaal, kunnen haren naar buiten steken. Dat is vooral goed te zien als de kroon is afgevallen en met gebruikmaking van een loep. Opmerkelijk is dat de drie bovenste korte tanden naar voren wijzen terwijl de twee langere, smalle onderste tanden vaak naar elkaars toppen wijzen. De tweelippige kronen zijn 9 mm tot hooguit 15 mm lang, dus kleiner dan die van de Bergsteentijm. De kleur is licht blauw, roze tot lichtpaars. Op de driedelige onderlip zijn duidelijke stippen zichtbaar die je als een honingmerk kunt beschouwen.

Net als de Bergsteentijm, waar de Kleine bergsteentijm toch wel nauw verwant aan is, en mogelijk zelfs een in vrijwel alle opzichten kleinere ondersoort, kwam tot 1990 in Nederland slechts op een plek in Zuid-Limburg voor, waar de soort zich goed handhaaft en zelfs ter plekke weet uit te breiden. Ook verspreidt de soort zich na 1990 steeds verder.

MM_190805

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Lipbloemenfamilie - Lamiaceae
Plantengeslacht:
Steentijm - Clinopodium
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.25 - 0.65 meter
Bloeiperiode:
Juli - September
Bloemkleuren:
lichtpaars, roze
Bloeiwijzen:
schijnkrans, bijscherm
Bloemvormen:
tweezijdig symmetrisch, buisvormig, tweelippig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 vergroeide kelkbladen, 5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
4 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
splitvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, vierkantig, behaard, gevuld
Schors:
-
Bladstand:
tegenoverstaand en kruisgewijs
Bladvormen:
eirond, ruitvormig
Bladrand:
gaaf tot zwak gezaagd of getand
Ondergronds deel:
hoofdwortelstelsel
Plantengemeenschap:
-

De Kleine bergsteentijm bereikt in Nederland de noordelijke grens van zijn areaal dat zich uitstrekt over het zuiden van Europa en het aansluitende zuidwesten van Azië. We beschouwen de zeldzame soort als een neofyt en exoot, aangezien de plant pas aanwijsbaar in de tweede helft van de twintigste eeuw in onze contreien is waargenomen. 

De plantensoort 'Kleine bergsteentijm' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Kleine bergsteentijm heeft zich, voor zover we hebben kunnen nagaan, in de tachtiger jaren van de twintigste eeuw gevestigd op het spoorwegemplacement van Simpelveld en is waarschijnlijk aangevoerd met wagons met mijnsteen van elders. Een typisch geval derhalve van spoorwegflora. Het is een soort die enigszins afwijkt van de Bergsteenrijm door wat kleinere bladeren en daarom ook wel de Nederlandse naam Kleine bergsteentijm heeft gekregen in de uitgave uit 2005 van de Heukels'Flora van Nederland. De soort kan zich goed handhaven in Simpelveld en staat in 2020 nog steeds in volle glorie op een groot aantal plaatsen op dit emplacement.

Kleine bergsteentijm wordt dan ook wel de Plant van de Miljoenenlijn genoemd, aldus Eddy Weeda, 1988,3: 172.

Voor meer uitgebreide informatie over de relaties met andere organismen, het milieu en de ecologie van Kleine bergsteentijm verwijzen wij naar Weeda, E.J. et al., (1988) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 3: 171-172.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 509. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 619.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 918.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Clinopódium calamíntha