Bleek bosvogeltje - Cephalanthera damasonium

In struwelen op kapvlakten en in onze rijkere loofbossen, zoals de Eiken-Haagbeukenbossen in Zuid-Limburg, is een aantal soorten Orchideeën te vinden waaronder hier en daar ook het Bleek bosvogeltje. Deze orchidee valt op door zijn roomwit tot geelwit gekleurde tweezijdig symmetrische bloemen. Ze staan aan een rechtopstaande stengel in een aarvormige bloeiwijze. De bladeren lijken wel wat op die van de Brede wespenorchis maar zijn kleiner van formaat.

Een meerjarige soort uit de Orchideeënfamilie of Orchidaceae die je in Nederland uiterst zelden in Zuid-Limburgse Eiken-Haagbeukenbossen en de daaruit door kappen ontstane struweelgemeenschappen kunt aantreffen is het Bleek bosvogeltje, Cephalanthera damasonium (Mill.) Druce. In de kruidlaag van deze bossen kun je deze orchidee bloeiend aantreffen in de tweede helft van de Lente op plekken waar door het gebladerte het zonlicht kan doordringen..

Ondergronds heeft de plant een bolvormig reserve orgaan waarin reserves voor volgende jaren worden opgeslagen. Uit deze ondergrondse knol ontwikkelt zich een rechtopstaande ronde stengel die bovenin in een aar eindigt. In deze aar staan drie tot acht, een enkele keer tot maximaal zo'n twaalf bloemen. Onder elke bloem staat een schutblad dat ongeveer even lang is als het vruchtbeginsel.

Aan de ronde, kale stengel staat een aantal bladeren verspreid. Ze zijn helder groen van kleur en hebben een eironde tot langwerpige vorm. Ze zijn tamelijk breed, veel breder dan die van het nauw verwante Wit bosvogeltje en lijken wel wat op de bladeren van de Brede wespenorchis.

De tweezijdige orchideeënbloemen zijn tamelijk groot. De drie buitenste bloemdekbladen (vergelijkbaar met kelkbladen) of sepalen zijn bijna 2 cm lang. Ze zijn driehoekig en tamelijk spits. Twee van de binnenste drie bloemdekbladen, de tepalen, zijn even lang als de buitenste bloemdekbladen maar eindigen wat stomper. Deze vijf room- tot licht geelwitte bloemdekbladen hebben aan de binnenkant lichtgroene in de lengte van de bladen verlopende strepen. Het derde naar beneden wijzende binnenste bloemdekblad is de lip. Deze is nogal breed en heeft duidelijk oranje-gele strepen of ribbels die afsteken tegen de oranje-gele vlek op die lip. Alleen bij warm zonnig weer, staan de bloemen echt open en zijn ze gemakkelijk toegankelijk voor bestuivers. In tegenstelling tot de meeste andere Orchideeënsoorten is het stuifmeel of pollen poederig en niet als klompjes samengebald tot polliniën. Het stempel is achterin te herkennen en plakkerig, zodat een bezoeker die bij een andere bloem poederig pollen heeft meegekregen dat afgeeft op die plakkerige stempel. Na bestuiving en bevruchting groeit het onderstandig vruchtbeginsel uit tot een doosvrucht die met spleten opengaat met heel veel stoffijne zaden. Maar meestal treedt en zelfbestuiving op.

De foto's en video-opnamen van het Bleek bosvogeltje zijn in Midden Duitsland gemaakt, waar deze soort nog regelmatig voorkomt en soms zelfs grotere groepen vormt in de loofbossen aldaar.

MM_190612

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Orchideeënfamilie - Orchidaceae
Plantengeslacht:
Bosvogeltje - Cephalanthera
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.10 - 0.40 meter
Bloeiperiode:
Mei - Juni
Bloemkleuren:
geelwit, oranje, witachtig
Bloeiwijze:
aar
Bloemvormen:
tweezijdig symmetrisch, orchideeenbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
3 tepalen, 3 sepalen
Meeldraden:
2 stuifmeelklompjes
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
stofzaad
Stengels:
rechtopstaand, glad
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
eirond, driehoekig, langwerpig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds deel:
knol
Plantengemeenschappen:

Het verspreidingsgebied of areaal strekt zich uit over het zuiden en midden van Europa. Nederland en België, waar de soort wat minder zeldzaam is dan in Nederland, liggen aan de noord-westelijke grens van het areaal, dat doorloopt tot in midden Engeland. Exemplaren van deze zogenaamde midden-Europese soort kun je regelmatig vinden in de loofbossen in het midden van Duitsland, waar ze tegen de strooisellaag in het loofbos mooi afsteken.

Optimaal komt het Bleek bosvogeltje voor in de Associatie van Hazelaar en Purperorchis, die als kapvlakte struweelgemeenschap ontstaat als het Eiken-Haagbeukenbos, dat eveneens een rijke kruidenlaag kent met daarin ook het Bleek bosvogeltje, gekapt wordt. Vroeger hoorde dit kapvlakte beheer bij het normale boerenwerk. Op de kapvlakte creëerde de boer opgaand struweel met daarin allerlei goed in zijn bedrijfsvoering bruikbare takken. En passant creëerde hij daarmee de juiste groeicondities voor een aantal soorten orchideeën. Het Eiken-Haagbeukenbos kan in het deel Plantengemeenschappen van Flora van Nederland bestudeerd worden.

De plantensoort 'Bleek bosvogeltje' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De bloemen zijn bijna altijd maar lichtjes geopend. Alleen op warme, droge en zonnige dagen vind je een volledig openstaande bloem in de aar. Er is geen spoor aanwezig en ook produceert de bloem geen nectar en nauwelijks geur. Insecten worden blijkbaar alleen aangetrokken door de gele vlek en de oranje-gele richels in die vlek.

Nog meer informatie over de ecologie van het Bleek bosvogeltje en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 351

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 107. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 152.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 363-364.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Cephalanthéra damasónium.

In het Duitse taalgebied wordt deze Orchideeënsoort Bleiches Waldvöglein genoemd; Rothmaler, W. (1981) Exkursionsflora für die Gebiete der DDR und der BRD. Band 2 Gefässpflanzen, 10e druk: 487-488.