Video Determinatie

Rood peperboompje - Daphne mezereum

Een dwergstruik die je vooral in loofbossen en soms in struikgewas kunt aantreffen is Rood peperboompje, Daphne mezereum. De soort valt op doordat hij in de tweede helft van de winter met roze tot lichtpaarse bloemen bloeit nog voordat de bladeren uitbotten. Later, wanneer in de herfst de bladeren gaan afvallen of zijn afgevallen zitten er rode bessen aan de kale takken. De zeldzame soort is te vinden in hakhout opstanden in loofbossen in het zuiden van Limburg en hier en daar in het oosten van Nederland.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een zeldzame dwergstruik in loofbossen op kalkrijke bodem is Rood peperboompje, Daphne mezereum L., uit de Peperboompjesfamilie of Thymelaeaceae.

Als je het Rood peperboompje in een loofbos vindt, bijvoorbeeld aan het eind van de winter of de vroege lente, dan herken je de soort aan de roze tot licht paarse bloemen die in armbloemige bundels van meestal drie bij elkaar staan en tevoorschijn zijn gekomen uit een okselknop waar het jaar ervoor een blad gestaan heeft. De bladeren verschijnen pas later aan de top van de takken en vormen als het ware een klein pruikje boven aan de tak. In de loop ven het jaar groeien de bladeren wat verder uit en strekt zich de top van de tak uit waardoor de bladeren dan verspreid aan de takken blijken te staan.

De wat grijsgroene bladeren zijn langwerpig tot lancetvormig en enigszins spatelvormig. Je kunt er een heel korte steel aan onderscheiden, maar steunblaadjes ontbreken geheel en al. Ze vallen in de herfst af, waardoor de planten in de winter enkel bestaan uit takken met bruinzwarte knoppen. De rand van de bladeren is gaaf. De takken hebben een geelgrijze tot bruingrijze bast en zijn aanvankelijk behaard. Maar die beharing verdwijnt later.

Ondergronds hebben de planten uitlopers waaruit ook nieuwe takken naar boven toe groeien. Daardoor is het niet eenvoudig om te zeggen hoeveel exemplaren er op een groeiplaats staan, omdat ze in feite tot één en dezelfde plant kunnen behoren.

Zoals gezegd komen in de late winter de bloemen uit de knoppen tevoorschijn. Ze staan in een armbloemige bundel of kluwen bij elkaar. Meestal 1 tot 4 maar 3 exemplaren komt het meeste voor. De vier gekleurde bloemdekbladen zijn evolutionair als kelkbladen te beschouwen. Ze staan op de rand van een bloemdekbeker en buigen iets naar buiten. De kleur is roze van binnen en aan de buitenkant, die ook behaard is, neigt de kleur naar licht paars. Binnen de vier bloemdekbladen op de beker staan 2 kransen van vier meeldraden, die maar korte helmdraden hebben. Het bovenstandig vruchtbeginsel heeft een stijl met stempel en groeit na bevruchting uit tot een éénzadige steenvrucht of bes. De bes is sappig maar vergiftigd. Als je voorzichtig proeft, merk je de scherpe smaak waar de Nederlandse naam ook op wijst. Spuug in iedere geval je mond schoon na het proeven. Onder in de bloemdekbeker wordt nectar geproduceerd waarmee bestuivers worden aangetrokken. Ook de geur zal een rol spelen bij het aantrekken van insecten. De geur heeft wat weg van die van Seringen.

De bessen worden gegeten door zangvogels, die geen last hebben van de stoffen die voor een mens giftig zijn. Na passage door hun darm worden de onbeschadigde en niet-aangetaste zaden uitgepoept.  Zo wordt het Rode peperboompje door vogels verspreid.

MM_190331

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Peperboompjesfamilie - Thymelaeaceae
Plantengeslacht:
Peperboompje - Daphe
Plantvorm:
dwergstruik
Plantgrootte:
0.25 - 1.00 meter
Bloeiperiode:
Februari - April
Bloemkleur:
roze
Bloeiwijze:
kluwen
Bloemvormen:
viertallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
4 bloemdek (kelkbladen)
Meeldraden:
8 in bundels
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
steenvrucht, bes
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, behaard
Schors:
bruin, grijs
Bladstanden:
verspreid, in bundels
Bladvormen:
spatelvormig, lancetvormig, langwerpig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds deel:
met ondergrondse uitlopers
Plantengemeenschappen:

Rood peperboompje is de enige vertegenwoordiger van de Peperboompjesfamilie die als inheems beschouwd kan worden. De inmiddels zeldzame soort staat nog wel in rijkere loofbossen in Zuid-Limburg en hier en daar in de Achterhoek. De bodem moet redelijk vochthoudend zijn, maar niet te nat. In de Achterhoek is dan ook een klein aantal vindplaatsen in zogenaamde rabatbossen. Rood peperboompje staat dan op de hoogste delen van die lintvormige rabatten. In de bossen in Limburg is hun standplaats bij voorkeur in zogenaamd middenbos. Dat wil zeggen dat ze dan staan in die delen van het bos waar hakhoutcultuur gebezigd wordt. Omdat hakhoutcultuur tegenwoordig nauwelijks meer wordt toegepast door mensen, verdwijnen steeds meer mogelijke standplaatsen. Alleen waar door natuurbeheer een dergelijke cultuur wordt in stand gehouden kan het Rood peperboompje nog wel gevonden worden. Soms vind je de soort zelfs in tuinen of parken van landgoederen. Of het dan om een aangeplante plant gaat of om een plant die uit aangevoerd zaad is ontstaan is een interessante vraag.

De plantensoort 'Rood peperboompje' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De bladeren lijken wel wat op die van Wilgen; daardoor vallen de bebladerde planten niet zo heel erg op.

Let erop dat alle plantendelen voor de mens giftige stoffen bevatten.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Rood peperboompje en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 197-188.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 444. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 461.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk:

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Dáphne mezéreum

In het Duitse spraakgebied: Gemeiner Seidelbast, maar ook: Kellerhals, Spatzenzungengewächse; cf. Rothmaler, W. (1981): Exkusionsflora. Andere naam: Gewöhnlicher Seidelbast, Seidelbastgewächse (Kosmos-Naturführer, 2017).