Blaasvaren - Cystopteris fragilis

Vooral op oude muren en in de taluds van holle wegen kun je een tere varen aan treffen die niet hoger wordt dan een paar decimeter. De geveerde bladeren hebben een omtrek die elliptisch is en aan de onderkant tref je in de zomerperiode ronde sporenhoopjes aan. Het is de Blaasvaren of cystopteris fragilis, die een bladsteel heeft die ongeveer een derde van de totale bladveer lengte in beslag neemt.

Op oude muren en ook wel in holle wegen tref je wel eens de zeldzame Blaasvaren, Cystopteris fragilis (L.) Bernh., uit de familie der Cystopteridaceae. Voorheen werd deze varen nog ingedeeld in de Wijfjesvarenfamilie of Athyriaceae.

De klein blijvende varen heeft een rhizoom of wortelstok die overwintert in de bodem van de holle weg of in de zachte kalkspecie tussen de stenen van de oude muur waar de soort op staat. Ieder voorjaar opnieuw ontwikkelen zich uit deze wortelstok jonge frisse bladeren, die niet groter worden dan één tot drie decimeter. Deze bladeren hebben een elliptische vorm als je naar hun omtrek kijkt en bestaan uit twee tot drievoudig geveerde deelbladeren. De deelbladeren zijn meestal aan de rand ingesneden en gezaagd . Soms gelobd tot gezaagd. Dit lijkt veel op de bladrand van de Wijfjesvaren, waar de soort nauw mee verwant is.

De bladsteel is ongeveer 1/3 van de totale lengte van het hele blad. Deze bladsteel en de bladspil, dat is de voortzetting van de bladsteel in het deel van het blad met de bladveren en deelblaadjes, blijft groen van kleur en kleurt hooguit later naar strokleurig. Dat is een goed onderscheid met de Zwartsteel, die immers een gedeeltelijk zwarte bladsteel heeft.

Aan de onderzijde van de bladveren vind je ronde sporenhoopjes, waarin de haploïde sporen gevormd worden. Soms vind je een enkel sporenhoopje per klein deelblaadje, soms ook meerdere, verspreid over de deelblaadjes van de tweede orde.

De standplaats is tamelijk extreem, zoals op oude, vochtige muren en in het talud van holle wegen of in bosgreppels.

MM_190608

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Wijfjesvarenfamilie - Athyriaceae
Plantengeslacht:
Cystopteris - Cystopteris
Plantvorm:
sporenplant
Plantgrootte:
0.07 - 0.35 meter
Bloeiperiode:
Mei - Augustus
Bloemkleur:
-
Bloeiwijze:
sporenkapsel
Bloemvorm:
nvt
Bloemtype:
-
Bloembladen:
-
Meeldraden:
-
Vruchtbeginsel:
-
Stijlen:
-
Stempels:
-
Vrucht:
-
Zaden:
-
Stengel:
kantig
Schors:
-
Bladstanden:
wortelstandig, rozet, in kleine pollen
Bladvormen:
elliptisch, afnemend 2-3 x geveerd
Bladranden:
gelobd, gezaagd
Ondergronds deel:
meerkoppige wortel
Plantengemeenschappen:

In Nederland vind je de soort in de zuidelijke helft van het land in stedelijke gebieden en in het zuiden van Limburg. In België komt de soort meer voor.

De plantensoort 'Blaasvaren' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Deze rode lijst soort onderscheidt zich van de Zwartsteel door de groen blijvende bladsteel en bladspil die hooguit strokleurig verkleurt in de loop van het seizoen.

Meer informatie over de ecologie van de Blaasvaren en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (1985) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 40

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 72. In deze flora werd de varen nog ingedeeld bij de Wijfjesvarenfamilie. Of met de nieuwe 24ste druk van deze flora: Duistermaat, L. (2020) Heukels' Flora van Nederland: 72. In deze flora is de Blaasvaren een geslacht uit de familie Cystopteridaceae.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 170.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Cystópteris frágilis.

In het Duitse taalgebied wordt deze varen benoemd als Zerbrechlicher Blasenfarn; Rothmaler, W. (1981) Exkursionsflora für die Gebiete der DDR und der BRD. Band 2 Gefässpflanzen, 10e druk: 101.