Video Determinatie

Kikkerbeet - Hydrocharis morsus-ranae

De cirkelronde bladeren van de drijvende waterplant Kikkerbeet zijn ongeveer 2,5 tot 3 cm in doorsnee. Ze hebben een hartvormige voet en zitten met een aantal bij elkaar direct ingeplant op de wortels. Deze zijn niet verankerd in de bodem maar het geheel drijft aan de oppervlakte van het zoete water. De nervatuur van de bladeren is eveneens opvallend door de typische netvormige structuur. De bloemen hebben witte kroonbladen en zijn eenslachtige, dus of met alleen meeldraden, of met alleen stampers. Lang niet altijd is duidelijk of de bloemen op een en dezelfde plant of op verschillende planten zitten.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Tot de Waterkaardefamilie of Hydrocharitaceae hoort de redelijk algemeen voorkomende meerjarig Kikkerbeet, Hydrocharis morsus-ranae L..

De tamelijk vlezig aandoende plant heeft cirkelronde bladeren met een hartvormige voet. Het nervensysteem van de bladeren is opmerkelijk. Er is een rechte hoofdnerf en er zijn vier rond gebogen zijnerven; de hoofdnerf heeft aan beide zijden, de zijnerven aan de kant van de bladvoet nog een reeks kleine zijnerven. Hierdoor ontstaat een netvormige structuur die zeer kenmerkend is voor de Kikkerbeet. Aan de voet van de bladsteel, daar waar die aan de drijvende wortels zitten, tref je twee steunblaadjes aan die relatief groot zijn. De wortels drijven in het water en hebben veel lange witte wortelharen.

Er zijn twee typen stengel te onderscheiden. Er zijn korte stengels waaraan de wortels en bladeren gehecht zijn en er zijn lange drijvende stengels, die ontspringen in de oksel van een bladsteel. Deze brengen in de zomer aan hun top een nieuwe korte stengel voort en hieraan ontstaat in de herfst een winterknop. Deze laatste zakt naar de bodem van de plas of sloot en overwintert in de modderige bodem.

De Kikkerbeet vormt bloemen met een tamelijk lange steel die uit een schede tevoorschijn komen en boven het wateroppervlak uit steken. De bloemen zijn 2 tot 3 cm in doorsnee hebben drie witte kroonbladen, die aan de voet, we noemen dat de nagel van het kroonblad, geel zijn. Er zijn aan een plant aparte mannelijke en vrouwelijke bloemen te vinden; het is dus een eenhuizige plant. Ze zitten meestal ver van elkaar verwijderd en doordat de stengels gemakkelijk breken, lijkt het soms dat de twee typen bloemen op aparte planten zouden zitten. De vrouwelijke bloemen staan afzonderlijk in de oksel van een schede-achtig schutblad; ze hebben een onderstandig vruchtbeginsel met 6 stijlen, waarvan het stempel in tweeën gesplitst is. In deze vrouwelijke bloemen vind je echter wel onvruchtbare meeldraden, zogenaamde staminodia, die voor een deel als nectarklier fungeren. De mannelijk bloeiende bloemen staan met een klein aantal, meestal drie, bij elkaar in een bloeiwijze die in een schedevormige koker staat. Zo'n bloeiwijze heeft een steel en de bloemen hebben ieder binnen de bloeiwijze ook een steel. Er zijn vier kransen van telkens drie meeldraden, waarvan de buitenste zes inderdaad vruchtbaar zijn en pollen produceren, terwijl de zes binnenste een taak hebben die vergelijkbaar is met de staminodia in de vrouwelijke bloemen. Een bloem staat maar een dag open.

De bestuiving en bevruchting vindt plaats door insecten, zoals bladluizen en vliegjes, maar ook grotere zweefvliegen en bijen zijn op de bloemen aangetroffen. Treedt er bevruchting op dan kromt de steel van de bevruchte vrouwelijke bloem zich het water in. Het vruchtbeginsel ontwikkelt zich in anderhalve maand tot een bolvormige vrucht, met bolronde, 1 mm grote zaden. Deze zaden zitten binnen de besachtige vrucht in een gelei-achtige massa opgesloten.

MM_140324

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Waterkaardefamilie - Hydrocharitaceae
Plantengeslacht:
Hydrocharis - Hydrocharis
Plantvorm:
waterplant
Plantgrootte:
0.10 - 0.30 meter
Bloeiperiode:
Juni - Augustus
Bloemkleuren:
wit, geel
Bloeiwijze:
alleenstaande bloem
Bloemvorm:
drietallig
Bloemtype:
eenslachtig
Bloembladen:
3 kelkbladen, 3 kroonbladen
Meeldraden:
12 meeldraden
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
6
Stempels:
2
Vrucht:
bes
Zaden:
-
Stengel:
drijvend
Schors:
-
Bladstand:
wortelstandig-verspreid
Bladvormen:
rond, hartvormig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds delen:
geen
Plantengemeenschappen:

Het areaal of verspreidingsgebied van Kikkerbeet omvat bijna heel Europa, maar niet de meest noordwestelijke en zuidelijkste delen. Ook in zoete wateren in het westen en midden van Azië is de soort te vinden en tegenwoordig is ze door invoer door de mens ook in Noord-Amerika ingeburgerd. In Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland wordt kikkerbeet beschreven als een duidelijk optredende begeleidende soort of kensoort van de volgende plantengemeenschappen:

01Aa2 Associatie van Veelwortelig kroos

01Ab1 Watervorkje-associatie

05 Fonteinkruiden-klasse

05Bb Kikkerbeet-verbond

05Ba3 Associatie van Witte waterlelie en Gele plomp

05Bb1 Krabbescheer-associatie

05Bb2 Associatie van Groot blaasjeskruid

05Bc4 Associatie van Stomp fonteinkruid

05Bc5 Associatie van Waterviolier en Kransvederkruid

08Ba1 Associatie van Slangenwortel en Waterscheerling

De plantensoort 'Kikkerbeet' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Kikkerbeet vormt in het najaar zogenaamde winterknoppen. Deze zakken naar de bodem en overwinteren in de modderige bodem. In het voorjaar ontwikkelen zich daaruit weer jonge planten die dan naar boven komen drijven. Kikkerbeet hoort volgens de indeling naar het stadium dat het moeilijke jaargetijde overwintert tot de Hydrofyten. Deze indeling is ontwikkeld door Raunkiær, een Deens botanicus en plantenecoloog.

Nog steeds is niet helemaal goed duidelijk of Kikkerbeet inderdaad een eenhuizige of tweehuizige plantensoort is. Hier is nog ruimte voor onderzoek!

Als u geïnteresseerd bent in meer uitgebreide gegevens over de ecologie van Kikkerbeet, de relaties met andere organismen en het milieu, dan vindt u dat in Weeda, E.J. et al., (1991) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 4: 230

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 83.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 214.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Hydrócharis mórsus-ránae.

In het Duitse taalgebied: Europäische Froschbiss, Froschbissgewächse; Kosmos Naturführer (2017). In Rothmaler, W. (1981) wordt als soortsnaam Froschbiss gegeven.