Video Determinatie

Geel zonneroosje - Helianthemum nummularium

Op kalkbodems vind je in de voorzomer en zomer de opvallende tamelijk grote heldergele bloemen van Geel zonneroosje, Helianthemum nummelarium. De laag blijvende planten zijn meerjarig en overleven met verhoute onderste delen die op de bodem liggen. Uit deze overblijvende delen spruiten in het voorjaar rechtopstaande stengels omhoog waaraan de bloemen zich ontwikkelen. De bloemen hebben veel meeldraden en een vruchtbeginsel met stijl en stempel. Het is een soort die op de rode lijst staat.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een meerjarige soort die op de Rode lijst van beschermde plantensoorten staat is het Geel zonneroosje, Helianthemum nummularium (L.) Mill., uit de Zonneroosjesfamilie of Cistaceae.

De in de zomer bloeiende klein blijvende planten vallen op als waren de bloemen zonnen die in de laagblijvende kalkgraslandvegetatie staan. De bloemen hebben een doorsnee van zo'n twee cm; ze zijn dus tamelijk groot. Met hun vlakke regelmatige goudgele kroonbladen sieren ze de plaatsen waar ze gevestigd zijn.

De meerjarige planten hebben een verhoute stengel, die op de kalkrijke bodem ligt; vaak zelfs direct op de mergelsteen. De opstijgende stengels zijn echter kruidachtig en behaard. Aan deze rechtopstaande stengels staan de elliptische tot lancetvormige bladeren tegenover elkaar. Ieder blad heeft onder aan de korte steel twee steunblaadjes staan. Ook de bladeren zijn behaard. Aan het uiteinde van de stengels vind je een aantal bloemen. Ze vormen een armbloemige tros die eigenlijk een open schicht is. Meestal staat er maar één bloem te bloeien. Iedere bloem heeft een klein schutblad aan de voet van de bloemsteel. Elke bloem heeft drie duidelijke kelkbladen; deze zijn sterk geaderd en behaard. Maar als je goed kijkt zie je ook nog twee smalle kleinere kelkbladen, die maar weinig opvallen en gemakkelijk over het hoofd te zien zijn. Binnen de bloem staan heel veel meeldraden met goudgeel stuifmeel of pollen op de open helmhokken. In het midden staat een bovenstandig vruchtbeginsel met een stijl en rond stempel. Insecten bezoeken de bloemen niet vanwege de aanwezigheid van nectar, deze ontbreekt immers, maar mogelijk verzamelen ze pollen en kunnen dan voor bestuiving en bevruchting zorgen. Zelfbestuiving is echter gangbaar. Nadat de kroonbladen zijn afgevallen, sluiten de kelkbladen weer. Ze drukken dan de meeldraden en het vruchtbeginsel tegen elkaar, waardoor er stuifmeel of pollen op het stempel komt.

De doosvrucht die uit het vruchtbeginsel ontstaat, springt na rijping met drie kleppen lopen.

Als de zaadverspreiding heeft plaatsgevonden sterven de kruidachtige rechtopstaande delen van de plant af. Door de houtige delen op de bodem kan de plant een flink aantal jaren ter plaatse gevestigd blijven.

MM_140726

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Zonneroosjesfamilie - Cistaceae
Plantengeslacht:
Zonneroosje - Helianthemum
Plantvorm:
dwergstruik
Plantgrootte:
0.05 - 0.35 meter
Bloeiperiode:
Mei - September
Bloemkleur:
geel
Bloeiwijze:
schicht
Bloemvormen:
vijftallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelkbladen, 5 kroonbladen
Meeldraden:
20 of meer
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, behaard, liggend
Schors:
-
Bladstand:
tegenoverstaand
Bladvormen:
elliptisch, langwerpig
Bladranden:
gaaf, behaard
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Het verspreidingsgebied van Geel zonneroosje omvat Europa en Klein-Azië en aansluitende gebieden tot aan de Kaspische Zee. De standplaats kenmerkt zich door expositie op het zuiden en zuidwesten. De bodem is droog, onbemest en kalkrijk, zoals het mergelplateau van Zuid-Limburg en de aangrenzende gebieden in België. Ook in de kalkrijke duinen kan de soort gevonden worden, zoals in de Belgische duinen en tot voor enige tijd ook in Zeeuw-Vlaanderen. Ook in Noord-Limburg is de soort sinds enige jaren weer gevonden.

In Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland wordt de plantengemeenschap waarin Geel zonneroosje als kensoort voorkomt uitgebreid beschreven. Het is de

15 Klasse der Kalkgraslanden

15Aa1 Kalkgrasland

De plantensoort 'Geel zonneroosje' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Geel zonneroosje kan zich uitstekend handhaven in de laagblijvende grasmat van het kalkgrasland. Dat laag blijven van de grasmat geschiedt het beste door lichte begrazing met schapen. Ook jaarlijks eenmaal hooien kan als beheer worden toegepast, maar het voordeel van begrazing met schapen is dat door de lichte betreding door deze dieren de grasmat wat wordt open gehouden. Krijgt de vegetatie de kans om verder uit te groeien en groter te worden door geen of slecht beheer, dan wordt de overlevingsmogelijkheid van deze zeldzame soort steeds moeilijker en kan ze verdwijnen. Beheerders van natuurterreinen, zoals Natuurmonumenten, hebben hier een heel belangrijke, maatschappelijke taak te vervullen.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Geel zonneroosje en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 211-212. In de Oecoflora wordt de oude Nederlandse naam Groot zonneroosje gebruikt.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 444.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 556. In deze flora wordt de soort Groot zonneroosje genoemd.

De meeste van de getoonde opnamen zijn gemaakt in de Dolomieten, met name de Seisser Alm, Sud Tirol, en op plaatsen in Zuid-Limburg.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Heliánthemum nummelárium.