Blauw guichelheil - Anagallis arvensis s. foemina

Een teer kruid dat liggende stengels heeft met kleine tegenoverstaande bladeren en opvallend helder blauwe bloemen is Blauw guichelheil, Anagallis arvensis. subsp. foemina. De stengels zijn liggend en soms ook liggend tot opstijgend. In het laatste geval kunnen de planten tot 50 cm hoog zijn. De bloemen zijn klein tot 1 cm in doorsnee en de bladeren zijn ook klein. Het is de ondersoort foemina, die zeer zeldzaam is en onderscheiden moet worden van blauwe exemplaren van Rood guichelheil.

Een zeer zeldzaam, ernstig bedreigd teer plantje uit de Sleutelbloemfamilie met kleine blauwe bloemen die in de oksels van de kleine bladeren staan is Blauw guichelheil, Anagallis arvensis subsp. foemina (Mill.) Schinz & Thell.. Ze heeft meestal blauwe fijne en tere bloemen, maar een enkele keer kunnen de bloemen wit zijn. Net als bij Rood guichelheil zijn de bloemkronen even lang als de kelk of slechts een klein beetje langer. Let er op dat ook Rood guichelheil, de andere ondersoort, planten kent met blauwe bloemkronen.

De vierkante stengels van Blauw guichelheil liggen op de bodem, maar ze wortelen niet op de stengelknopen. De planten hebben een min of meer normaal wortelstelsel dat bestaat uit hoofd- en bijwortels.

De kleine eironde tot langwerpige bladeren zijn ongeveer 1 cm groot en staan tegenover elkaar aan de stengels. Zelden vind je kransen van drie bladeren of wat verspreid staande bladeren. Ze zijn niet gesteeld en zitten direct op de stengels. Ze zijn van onderen met zwarte klierpuntjes bezet. De randen van de bladeren zijn gaaf.

In de oksels van de bladeren staan de vrijstaande bloemen op niet al te lange stelen. De kroonbladen zijn even lang als de kelktanden, of maar een klein beetje groter. Het zijn vijftallige, regelmatige bloemen en ze bloeien vanaf mei tot in de herfst. De kroonslippen liggen met hun vrij gedeelte los van elkaar en bedekken elkaar niet. De rand van de kroonslippen is zonder een klierachtig bewimpering. En als er toch wimpers zijn zijn het er altijd veel minder dan 30. Met een loep is te zien dat het meerendeel uit vier cellen bestaat, waarbij de eindcel veel langer dan breed is. De vijf meeldraden staan voor de vergroeide kroonslippen ingeplant. Het bovenstandig vruchtbeginsel groeit uit tot een doosvrucht.

Blauw guichelheil is eenjarig en te vinden op open en vochtige en kalkrijke grond in graanakkers. Deze ondersoort is zeer zeldzaam en alleen hier en daar te vinden in Zuid-Limburg en in het Subcentreuroop district, dat is de rest van Limburg ten oosten van de Maas tot aan Nijmegen en in de oostelijke strook van Gelderland en Overijssel.

MM_130807

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Sleutelbloemfamilie - Primulaceae
Plantengeslacht:
Guichelheil - Anagallis
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.05 - 0.50 meter
Bloeiperiode:
Mei - September
Bloemkleuren:
wit, blauw
Bloeiwijze:
alleenstaande bloem
Bloemvormen:
vijftallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelktanden, 5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
5 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengel:
liggend
Schors:
-
Bladstand:
tegenoverstaand
Bladvormen:
eirond, langwerpig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds delen:
hoofdwortelstelsel
Plantengemeenschap:

Blauw guichelheil is te vinden op open en vochtige en kalkrijke grond in graanakkers. Deze ondersoort is zeer zeldzaam en alleen hier en daar te vinden in Zuid-Limburg en in het Subcentreuroop district, dat is de rest van Limburg ten oosten van de Maas tot aan Nijmegen en in de oostelijke strook van Gelderland en Overijssel. Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland beschrijft Blauw guichelheil als een kensoort van de

30Aa1 Stoppelleeuwenbekjes-associatie

De plantensoort 'Blauw guichelheil' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Als je Blauw guichelheil tegenkomt op een akker is Rood guichelheil meestal ook van de partij.

Let erop dat de plant giftig is.

Voor meer uitgebreide informatie over de relaties met andere organismen, het milieu en de ecologie van Blauw guichelheil verwijzen wij naar Weeda, E.J. et al., (1988) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 3: 70-71.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 453-454.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 609-610. In oudere literatuur wordt de ondersoort Blauw guichelheil beschreven als subsp. caerulea.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Anagállis arvénsis subs. fóemina