Video Determinatie

Wegdistel - Onopordum acanthium

In het tweede of derde jaar van zijn bestaan groeit de Wegdistel, Onopordum acanthium, uit tot een brede tot 3 m hoog wordende kandelaarvormige distelplant. De hele plant, zowel stengels als bladeren zijn witviltig behaard. De stengels en vertakkingen eindigen in alleenstaande hoofdjes die een breed bolvormig omwindsel hebben met omwindselbladen die stekelig rondom, ook naar beneden toe, uitstaan. De paarsrode buisbloemen staan boven het bolvormig omwindsel.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een tamelijk uitzonderlijke tweejarige distelsoort met meestal maar een hoofdje is de Wegdistel, Onopordum acanthium L., uit de Composietenfamilie.

Na de kieming vormt de plant in het eerste jaar van zijn bestaan een penwortel met rozet, pas in het tweede jaar ontstaat uit deze rozet een omhoog groeiende plant.

De rechtopstaande stengels van de breed vertakte planten zijn witachtig behaard; het lijkt wel of de stengels helemaal door spinrag worden omgeven. Langs die stengel staan lijsten met gestekelde tanden. Deze lijsten zijn de doorlopende vleugels van de verspreid aan de stengel zittende bladeren. De bladeren zijn langwerpig tot elliptisch van vorm en de bladrand is bochtig stekelig getand. Ook de bladeren zijn wit van de spinwebachtige beharing, vooral aan de onderkant, maar meestal ook aan de bovenkant. De vertakkingen streven sterk schuin omhoog.

Boven aan de stengel en de vertakkingen, staan tijdens de bloei in de zomer en nazomer bolvormig hoofdjes. Deze zijn zo'n 3 tot 5 cm groot met een opvallend groot stekelig omwindsel. De omwindselbladen hebben een tamelijk brede voet maar lopen lijn-tot priemvormig toe waardoor ze ook stekelig aanvoelen. De onderste omwindselbladen staan wijd uit en enigszins naar beneden gericht. De buisbloemen vormen als het ware een toef bovenop het brede omwindsel. De buisvormige bloemen zijn roodpaars van kleur, zoals we van zoveel andere distelachtige soorten kennen. Het pappus is echter roodachtig van kleur en de pappusharen zijn onderaan bovenop het onderstandig vruchtbeginsel tot een ring vergroeid. Als de nootjes, die zich uit het vruchtbeginsel ontwikkelen, rijp zijn en afvallen van de bodem van het bloemhoofdje blijkt deze bloemhoofdjesbodem kaal te zijn met diepe putjes, waarin het vruchtbeginsel, later het nootje, heeft gestaan. De rand van de putjes bestaat uit een serie tanden. Na de bloei sterft de tweejarige plant af.

De vrij zeldzame Wegdistel groeit op open en droge grond, die kalkrijk en stikstofrijk dient te zijn; je vindt de soort vooral in de duinen en Zuid-Limburg, maar ook in het rivierendistrict. De soort wordt ook wel als tuinplant geplant en kan uit tuinen verwilderen en zo in de halfnatuurlijke omgeving terecht komen.

MM_140831

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Composietenfamilie - Asteraceae
Plantengeslacht:
Onopordum - Onopordum
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.50 - 3.00 meter
Bloeiperiode:
Juli - Oktober
Bloemkleuren:
paars, rood
Bloeiwijze:
hoofdje
Bloemvormen:
composietenbloem, buisvormig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
5 vergroeid met elkaar
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
nootje
Zaden:
-
Stengel:
gestekeld
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
elliptisch, langwerpig
Bladrand:
stekelig getand
Ondergronds delen:
penwortel
Plantengemeenschap:

Het verspreidingsgebied of areaal van de Wegdistel omvat van oorsprong Europa met uitzondering van de meer noordelijke streken, het zuidwesten van Azië, en tegenwoordig ook Noord-Amerika, waar de plant door toedoen van de mens is terecht gekomen. De soort is vooral als sierplant in tuinen in gebruik, maar ontsnapt regelmatig en weet zich dan enige tijd in de natuur te handhaven. Aangezien ze thuishoort in betrekkelijk neerslagarme gebieden met tamelijk warme zomers en niet al te strenge winters komt ze in onze contreien vooral als natuurlijke soort voor in de duinen en de hogere delen zoals Zuid-Limburg. In Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, wordt de Wegdistel beschreven als een kensoort van de plantengemeenschap

31Ab3 Associatie van Stinkende ballote en andere netels

De plantensoort 'Wegdistel' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Wegdistel is een 'puinkegel'plant. In gebieden met kalkgroeven, zoals Zuid-Limburg tref je de plantensoort dan ook aan op de afglijdende puinresten van de groeven. Ook op spoorwegtalud kun je de soort nogal eens aantreffen, vooral op nieuw aangelegde tracés.

Uit de nootjes werd wel distelolie geperst en het sap van de plant werd medicinaal gebruikt.

Als u geïnteresseerd bent in meer uitgebreide gegevens over de ecologie van de Wegdistel, de relaties met andere organismen en het milieu, dan vindt u dat in Weeda, E.J. et al., (1991) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 4: 143-144.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 620.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 1010 en 1096.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Onopórdum acánthium.

In het Duitse taalgebied: Gewöhnliche Eselsdistel, Krobblütengewächse; cf Kosmos Naturführer (2017). In Rothmaler, W. (1981) Exkursionsflora, heet de soort Gemeine Eselsdistel.