Grote windhalm - Apera spica-venti

Als akkeronkruid kun je Grote windhalm, Apera spica-venti, wel aantreffen in ouderwets beheerde Roggeakkers. Tijdens de bloei steken de karakteristieke, zeer open pluimen vaak boven het rijpende graan uit en geven door de purperen kleur van de aartjes een licht-paarse schijn over een dergelijke graanveld. 

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een één- of tweejarig gras dat aan getroffen kan worden in niet-bemeste Roggeakkers is de Grote windhalm, Apera spica-venti P.B., uit de Grassenfamilie of Poaceae. Het kiemt, net als wintergranen, in de herfst en soms ook nog in het vroege voorjaar. De korrels zijn rijp en vallen af voordat de granen gerijpt zijn; maar een klein deel van de vruchten komt bij de oogst ook wel in de graankorrels.
Je vindt talrijke stengels van dit gras, bijvoorbeeld tussen de Roggeplanten, waar dit gras als akkeronkruid tussen groeit. Op de overgang van de bladschede naar de bladschijf van de lijnvormige, vlakke bladeren staat een lang vliezig tongetje van 3 tot 10 mm. De bladeren voelen zowel aan boven- als aan de onderzijde ruw aan.
Tijdens de bloei in de zomermaanden valt de Windhalm op door zijn heel open karakteristieke, wat purperkleurige pluim. De pluimtakken staan heel wijd uit, de bloemen hebben relatief lange bloemstelen en de grasbloemen hebben lange gebogen kafnaalden, die in het bovenste gedeelte van het onderste kroonkafje of lemma staan ingeplant. Het geheel van de eivomige pluim geeft een opvallend beeld en wordt weleens vergeleken met de langpootmug en in de volksmond wordt hier en daar de benaming 'muggebeen' gebruikt voor dit gras.
De aartjes van het gras zijn 2,5 tot 3 mm lang en het onderste kroonkafje of lemma is voorzien van een kafnaald die tussen 5 en 10 mm lang is. Dat is -zeker relatief- erg lang ten opzichte van het aartje. Deze kafnaald is niet recht, maar enigszins, sprietig, heen en weer gebogen. In ieder aartje is slechts één tweeslachtige bloem te vinden. De helmknoppen van de meeldraden die buiten het bloemetje uitsteken zijn niet al te groot, maar toch ongeveer 1,5 mm lang. Dat is, hoe klein ze ook zijn, beduidend langer dan de helmknoppen van het nauw verwante gras, Stijve windhalm, waarvan de helmknoppen ongeveer 0,4 mm lang zijn.
De kelkkafjes zijn ongeveer even lang als het onderste kroonkafje. Dit laatste is in het onderste gedeelte van de rug afgerond. Opvallend is dat de kelkkafjes tijdens de bloei uiteenwijken, wat Grote windhalm onderscheidt van Gierstgras.
Grote windhalm groeit bij voorkeur op droge, zuurstofrijke en humusarme grond en staat meestal op zand-, leem-, löss- of krijtbodems. Het vroeger heel algemene gras en lastige onkruid in graanakkers is doordat het zaaizaad tegenwoordig ontdaan wordt van niet gewenst zaad, minder algemeen geworden.
MM_180125  

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Grassenfamilie - Poaceae
Plantengeslacht:
Windhalm - Apera
Plantvorm:
gras
Plantgrootte:
0.30 - 1.00 meter
Bloeiperiode:
Juni - Augustus
Bloemkleur:
lichtpaars, purper
Bloeiwijze:
pluim
Bloemvorm:
grasbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
2 kelkkafjes, 2 kroonkafjes
Meeldraden:
3 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
2
Stempels:
2
Vrucht:
graanvrucht of korrel
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
-
Bladstand:
in rijen
Bladvorm:
lijnvormig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds delen:
bijwortelstelsel
Plantengemeenschappen:

Hoewel Grote windhalm waarschijnlijk in de steppes van Zuid-Rusland haar oorsprong vindt, groeit zij al sinds de ijzertijd, die we dateren van 800 voor Christus tot het begin van onze jaartelling, in Nederland en België. In onze contreien is de soort algemeen in het pleistocene deel van Nederland en in het Deltagebied. Elders is de soort minder algemeen. Je kunt haar ook vinden in grote delen van Europa en in het westen en midden van Azië. De mens heeft de Windhalm, al dan niet opzettelijk, gebracht in Nieuw-Zeeland en in het oosten van Noord-Amerika.

De plantensoort 'Grote windhalm' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Het beleid van Staats Bosbeheer (SBB) is erop gericht om ook zeldzamer wordende akkeronkruiden een plek te geven in ons landschap. Dit wordt onder meer in de praktijk gebracht in het gebied rond de Duivelsberg bij Nijmegen, waar door SBB jaarlijks een Roggeakker wordt ingezaaid met niet geschoond roggezaad, waarbij derhalve veel akkeronkruiden mee ingezaaid worden.

Nog meer informatie over de ecologie van Windhalm en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 106.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 228.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 275-276.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Apéra spíca-vénti

Met dank aan Jan van Twisk voor door hem aangeleverde informatie.