Zinkboerenkers - Thlaspi caerulescens

Een niet al te grote een beetje bossig uitgegroeide plant die gebonden is aan een milieu waarin zink voorkomt is Zinkboerenkers. De tamelijk kleine bloemen zitten in een tros en de vruchten, het zijn hauwtjes, lijken in de verte wel wat op herderstasjes of op de lepelvormige vruchten van Lepelblad. De plant is zeldzaam.

De twee- tot meerjarige planten van de Zinkboerenkers, Thlaspi caerulescens J & C.Presl, tref je in Nederland en België aan op plaatsen waar zink in de grond aanwezig is. Dat is sinds oudsher in het stroomgebied van de Geul. Deze rivier ontspringt in België en doorstroomt het oude mijnengebied van Moresnet, net ten zuiden van Zuid-Limburg bij Epen en in het Belgische Plombière. Ook tref je het tegenwoordig aan in het gebied van de Maasvlakte, waar ertsoverslag plaatsvindt, waardoor er daar in de bodem ook zink terecht komt. Zo zie je hoe de mens soms ongewild een milieu creëert waarin zeer zeldzame plantensoorten kunnen gedijen en er zelfs aan gebonden zijn.

In het eerste jaar na kieming ontwikkelt de plant een rozet met spatelvormige bladeren. In het tweede of daaropvolgende jaar komen onvertakte min of meer rechtopstaande stengels tevoorschijn met aan de top trossen met kleine witachtige soms licht lilakleurige kruisbloemen. Als er meerdere stengels tevoorschijn komen heeft de plant, hoe klein die ook blijft, een wat bossig uiterlijk. Aan de rechtopstaande stengels zitten de stengelbladeren zonder steel verspreid. Deze wijken af van de rozetbladeren, zijn driehoekig met een wat stompe spits een hebben een hart- tot pijlvormige voet. De twee oortjes onder aan het blad zijn voor een deel enigszins stengelomvattend. De rand van deze stengelbladeren is gaaf tot licht gekarteld. De planten zijn kaal.

De kruisbloemen hebben vier kroonbladen die niet al te groot zijn, met zo'n 4 mm heb je het wel gehad. Wat in de bloemen opvalt is dat aan het eind van de bloei de helmhokken aan de zes helmdraden donkerpaars kleuren. De vruchten zijn klein, zo'n 5 tot 8 mm lang en elliptisch tot driehoekig van vorm. Het zijn hauwtjes die wel wat lijken op de driehoekige hauwtjes van Herderstasje of op de lepelvormige, ronde hauwtjes van Klein tasjeskruid. Heel opvallend is de rest van de stijl, boven op het hauwtje. Deze snavel is rond de 1 mm lang en daarmee duidelijk langer dan de snavel van Witte krodde, die veel grotere vruchten heeft. De vruchten hebben smalle vleugels en in ieder hokje van de vrucht vind je 2 tot 4 zaden.

MM_170509

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Kruisbloemenfamilie - Brassicaceae
Plantengeslacht:
Boerenkers - Thlaspi
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.05 - 0.30 meter
Bloeiperiode:
April - Juni
Bloemkleuren:
wit, witachtig
Bloeiwijze:
tros
Bloemvorm:
viertallig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
4 kelktanden, 4 kroonbladen
Meeldraden:
6 vier lang, twee kort
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
hauwtje
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
pijlvormig, hartvormig
Bladranden:
gaaf, gekarteld
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschap:

Zinkboerenkers is beperkt tot zinkhoudende bodems en daardoor een zeldzame soort.

De plantensoort 'Zinkboerenkers' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Zinkboerenkers is een variëteit van Thlapi alpestre, een vormenrijke groep van bergplanten. Onze Zinkboerenkers is aangepast aan metaalhoudende bodems, met name de aanwezigheid van redelijk grote hoeveelheden zink is nodig. De planten nemen ook veel zink op, waardoor de as van (verbrande) planten wel voor een vijfde deel uit zink bestaat.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Zinkboerenkers en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 39.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 429.
Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 535. In deze flora wordt de Zinkboerenkers Thlaspi alpestre L. subsp. sylvestre Gillet et Magne var. calaminare Lej. genoemd, een oudere naam die wijst op het feit dat de soort nauw verwant is aan de soort uit de bergen en aangepast is aan de aanwezigheid van zink in de bodem.
Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam:  Thláspi caeruléscens.