Video Determinatie

Vijfdelig kaasjeskruid - Malva alcea

Kaasjeskruiden vallen in de zomer op door hun tamelijk grote bloemen die roze van kleur zijn en vaak ook nog een duidelijk streping op de kroonbladen hebben. Vijfdelig kaasjeskruid hoort hier ook toe en kenmerkt zich door de bladeren die boven in de plant in vijf delen gespleten zijn, terwijl de bladeren onder in de plant eerder vijflobbig zijn. In tegenstelling tot een andere soort, Muskuskaasjeskruid, zijn de bloemen geurloos. Goed te herkennen is Vijfdelig kaasjeskruid aan de onbehaarde deelvruchten die samen de vorm hebben van een Goudse kaas.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een wat meer zeldzame soort onder de Kaasjeskruiden is Vijfdelig kaasjeskruid, Malva alcea L., uit de Kaasjeskruidfamilie of Malvaceae. Vijfdelig kaasjeskruid lijkt erg veel op Muskuskaasjeskruid, maar we zullen proberen om de meest opvallende verschillen tussen beide soorten zo goed mogelijk te omschrijven.

De rechtopstaande planten kunnen wat groter worden dan Muskuskaasjeskruid tot wel een meter hoog. Ze zijn sterk vertakt en geven de plant een rossig uiterlijk. De bladeren die verspreid aan de stengels staan kunnen nogal verschillend zijn. De boven aan de plant staande bladeren zijn vijfdelig en diep ingesneden, waardoor deze bladeren erg lijken op die van Muskuskaasjeskruid, maar de bladeren meer naar beneden in planten van Vijfdelig kaasjeskruid zijn minder diep ingesneden, maar zijn wel duidelijk vijflobbig. Dit is een onderscheid tussen deze beide soorten. Je vindt op de plant een beharing met gewone haren en daarnaast vooral in de bovenste delen van de plant ook sterharen, met name op de bloemstelen en op de kelk- en bijkelkbladen.

De bloemen van Vijfdelig kaasjeskruid zijn reukloos en hebben vijf kroonbladen die roze van kleur zijn; ook zijn er vijf kelkbladen en, typisch voor de Kaasjeskruiden, ook drie bijkelkslippen. Deze laatste zijn eirond en vrij breed, veel breder dan die van Muskuskaasjeskruid. Binnen de bloemen, de bloei duurt van juli tot september, zie je aanvankelijk de meeldraadzuil met veel meeldraden. Pas wanneer de helmknoppen hun stuifmeel of pollen hebben afgegeven, vallen deze af en groeien de stijlen met stempels door de zuil omhoog en komen tevoorschijn. Na bestuiving en bevruchting groeien de vele bovenstandige vruchtbeginsels uit tot de vele in de vorm van een kaas gerangschikte deelvruchten. Deze zijn bij Vijfdelig kaasjeskruid kaal en gerimpeld of gegroefd.

Vijfdelig kaasjeskruid wordt wel als tuinplant aangetroffen, maar is ook te vinden op grazige plekken in bermen en langs heggen. Ook vind je de soort wel op dijkhellingen.

MM_170907

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Kaasjeskruidfamilie - Malvaceae
Plantengeslacht:
Kaasjeskruid - Malva
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.25 - 1.00 meter
Bloeiperiode:
Juli - September
Bloemkleur:
roze
Bloeiwijze:
-
Bloemvormen:
vijftallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelkbladen, 5 kroonbladen
Meeldraden:
20 of meer, vergroeid met elkaar
Vruchtbeginsel:
veel, bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vruchten:
dopvrucht, splitvrucht
Zaden:
-
Stengels:
hol, rechtopstaand, behaard
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
ingesneden, handvormig, vijftallig
Bladranden:
veerspletig, ingesneden
Ondergronds delen:
penvormige hoofdwortel met bijwortels
Plantengemeenschappen:

Het verspreidingsgebied of areaal van Vijfdelig kaasjeskruid is geheel Europa.

De plantensoort 'Vijfdelig kaasjeskruid' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De bloemen zijn geurloos. De vruchten hebben de vorm van een kaas, wat deze plantensoorten ook hun naam heeft gegeven.

Anatomisch kenmerk: Wanneer je de bloemen van Kaasjeskruiden goed bekijkt zie je dat ze naast een vijftallige kroon en kelk ook nog drie kleinere bijkelkslippen. Deze bijkelkslippen zijn een kenmerk dat typisch is voor de Kaasjeskruiden.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Vijfdelig kaasjeskruid en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 183.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 441.
Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 569. 
Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Málva álcea.
In het Duitse taalgebied luidt de naam Siegmarswurz: Rothmaler, W. (1981) Exkursionsflora für die Gebiete der DDR und der BRD. Band 2 Gefässpflanzen, 10e druk: 222.